Wat is de betekenis van Nadruk (2)?

1898
2020-11-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nadruk (2)

Nadruk m. klem, accent: hij legt den nadruk verkeerd; — kracht, vuur: met nadruk betoogde hij dat het verkeerd was; ik moet daartegen met allen nadruk opkomen; — aandrang: iem. met nadruk waarschuwen.

Lees verder