Wat is de betekenis van Modus?

2021
2021-06-13
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Modus

De modus is het getal met de hoogste frequentie uit een serie waarnemingen. Het is dus de waarde of klasse die het vaakst voorkomt. Naast de modus zijn er ook nog twee andere centrale waardes die vaak gebruikt worden. Dit zijn de mediaan en het gemiddelde. Het is vooral handig om de modus te bepalen wanneer de meet- of waarnemingsresultaten zich sp...

Lees verder
2019
2021-06-13
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

modus

modus - Zelfstandignaamwoord 1. wijze, manier 2. (grammatica) grammaticaal|grammaticale categorie waarmee de relatie wordt aangegeven tussen een werkwoord en de werkelijkheid 3. (filosofie) hoedanigheid, toestand of wijziging van iets 4. (informatica) een 'toestand' waarin een computerprogramma of gebruikersinterface zich kan bevinden...

Lees verder
2018
2021-06-13
Anneke van Schie

Voormalig eigenaar/directeur Uitgeverij Kavanah

Modus

Een statistische maat van centrale tendentie die de waarde weergeeft die het meest voorkomt bij een reeks van waarnemingen (onderzoeksjargon).

2018
2021-06-13
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

modus

modus - zelfstandig naamwoord uitspraak: mo-dus 1. hoe het gebeurt of hoe je het moet doen ♢we hebben een modus gevonden om de samenwerking voort te zetten 2. een van de vier wijzen van het werkwoord (grammatica) ...

Lees verder
2016
2021-06-13
Cito

Onderzoek & Wetenschap

Modus

De modus van een reeks waarnemingen is de waarde die het meest frequent voorkomt.

2016
2021-06-13
Cijfers spreken

Cijfers spreken

modus

Centrummaat; meest voorkomende meetwaarde.

2012
2021-06-13
Marketing Kernstof

Geschreven door Hans Vosmer & John Smal

modus

De waarde van een variabele die het meest voorkomt.

2003
2021-06-13
XYZ van de klassieke muziek

945 begrippen uit de klassieke muziek

Modus

Modus (Lat . modus, maat) is de verzameling tonen die geen majeur- of mineurtoonladder vormt. Het kan gaan om een kerktoonladder, maar ook in de jazz komen modi voor. In de Middeleeuwen werd de term ook gebruikt voor de verhouding tussen longa en brevis (twee- of driedelige 'maatsoort'), ritmische patronen en later voor intervallen en kerktoonladde...

Lees verder
1994
2021-06-13
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Modus

[Lat. = maat] 1 (alg.) manier, wijze; meo modo = op mijn eigen manier; 2 (taalk.) wijze, wijs, vorm van het werkwoord dienende om de verhouding van de handeling tot de realiteit tot uitdrukking te brengen, zoals: de aantonende wijs (indicativus, bijv.: het is zo), de aanvoegende wijs (conjunctivus, bijv...

Lees verder
1993
2021-06-13
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Modus

wijze; manier; toonsoort

1993
2021-06-13
NIMA

Nima marketing lexicon

Modus

De waarde van een variabele die het meest voorkomt; de meest waarschijnlijke waarde van een kansverdeling.

1992
2021-06-13
Basisboek Methoden en Technieken

Basisboek Methoden en Technieken

Modus

Beschrijvende centrummaat: de score die in een frequentieverdeling het meest voorkomt.

1962
2021-06-13
Muziek Encyclopedie

Geschreven door S. van Ameringen (1962)

modus

1. kerktoonsoort (zie kerktoonsoorten); 2. in de 12de en 13de eeuw ritmisch schema, ontleend aan de klassieke versvoeten, waarvan de toepassing in de muziek leidde tot de zgn. modale ritmiek.

Lees verder
1955
2021-06-13
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Modus

wijze, manier; veranderlijke vorm van het werkwoord; eenheidsmaat, waarin verhoudingen van een gebouw werden uitgedrukt in klassieke bouwkunst; betrekkingsgetal

1950
2021-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Modus

(Lat.), m. (modi), 1. wijze, manier ; — (taalk.) 1 wijze van het werkwoord; 2. (rechtst.) last, verplichting; 3. (muz.) toonladder als schema voor de vorming van een melodie ; 4. modus vivendi, voorlopige schikking tussen twee strijdende partijen; — modus procedendi, procesorde.

Lees verder
1949
2021-06-13
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Modus

(Lat., manier), grammaticale term, z Wijs; juridisch z Last; M. vivendi (m. van leven), voorlopige schikking tussen strijdende partijen.

1948
2021-06-13
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

modus

(Lat.) m. wijze, manier; gram. voorstellingswijze van de handeling uitgedrukt door het werkwoord; last, lastbepaling, verplichting; M.E. toonsoort.

1937
2021-06-13
Scholastiek Lexicon

Latijns-Nederlandsch

MODUS

1. Wijze. Eminentiori modo, Op meer verheven wijze, op volmaakter wijze, in verhevener zin Modus absolutus, Volstrekte wijze. Modus accidentalis, Gevallijke wijze. Modus agendi, Handelwijze. Modus argumentativus, Betoogende wijze. Modus cognoscendi, Kenwijze, JANSSENS, HET MENSCHGEWORDEN WOORD 211,...

Lees verder
1933
2021-06-13
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Modus

1° (gramm.) ➝ Wijs. 2° (Muziek) Toonladder als schema voor de vorming eener melodie. ➝ Gregoriaansche zang.

Lees verder
1916
2021-06-13
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Modus

Modus - (Lat.), meervoud: modi, maat, wijze, manier, trant; M. vivendi: levenswijze, verder: schikking tusschen twee strijdende partijen om het verschil voorloopig te laten rusten; (b.v. in de Ned. Herv. Kerk, poging om de verschillende kerkelijke richtingen in één kerkverband vreedzaam te doen samenleven, meermalen beproefd, laatstelijk door de th...

Lees verder