Wat is de betekenis van minder?

2019
2021-03-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

minder

minder - Onbepaald hoofdtelwoord 1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig minder - Bijvoeglijk naamwoord 1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van weinig minder - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minderen ♢ Ik minder 2. gebiedende...

Lees verder
2018
2021-03-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

minder

minder - bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, telwoord uitspraak: min-der 1. niet zoals een andere keer ♢het is vandaag minder druk op straat 2. niet zo vaak als anders ♢jij moet eens wat minder spijbelen!...

Lees verder
1998
2021-03-01
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Minder

1. mag het iets/een ietsje - (zijn)?,zie mag het iets/ een ietsje meer (zijn)? 2. - is meer,motto van de Duitse architect Mies van der Rohe van de Bauhaus-school (al is er al een vindplaats uit 1855): minder visuele vervuiling draagt bij tot een leefbaarder omgeving. Hierop aansluitend ontstond de slogan de vorm volgt de functie:pure, onversierde...

Lees verder
1950
2021-03-01
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Minder

bn., onb. telw., bw. (comparatief van min), I. bn., 1. kleiner : de prijs van de tarwe is vandaag wat minder; 2. in enig opzicht achterstaand : hij wordt er niet minder om; 3. achterstaand in rang: de mindere standen; 4. gering: de mindere zaken beschikte hij naar zijn goeddunken; dat is minder, dat is niet v...

Lees verder
1898
2021-03-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Minder

Minder bn. bw. comparatief van min: de zieke wordt met den dag minder; de prijs van de tarwe is vandaag wat minder; hij is er niet minder om; de mindere standen, de werklieden; — comparatief van weinig: hij heeft niet veel geld, maar nog minder verstand; niets minder dan dat; hoe minder hij spreekt, des te beter; in minder dan geen tijd was h...

Lees verder