Wat is de betekenis van minder?

2024-02-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

minder

minder - Onbepaald hoofdtelwoord 1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig minder - Bijvoeglijk naamwoord 1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van weinig minder - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minderen ♢ Ik minder 2. gebiedende...

2024-02-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

minder

minder - bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, telwoord uitspraak: min-der 1. niet zoals een andere keer ♢het is vandaag minder druk op straat 2. niet zo vaak als anders ♢jij moet eens wat minder spijbelen!...

2024-02-25
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Minder

1. mag het iets/een ietsje - (zijn)?,zie mag het iets/ een ietsje meer (zijn)? 2. - is meer,motto van de Duitse architect Mies van der Rohe van de Bauhaus-school (al is er al een vindplaats uit 1855): minder visuele vervuiling draagt bij tot een leefbaarder omgeving. Hierop aansluitend ontstond de slogan de vorm volgt de functie:pure, onversierde...

2024-02-25
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

minder

laer in rang, geminder, minder maak of word.

Wil je toegang tot alle 12 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Minder

adj. & adv., minder; — worden, minderje; ietsdan een pond, net earlik in poun.

2024-02-25
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

minder

oppasser, verzorger.

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Minder

bn., onb. telw., bw. (comparatief van min), I. bn., 1. kleiner : de prijs van de tarwe is vandaag wat minder; 2. in enig opzicht achterstaand : hij wordt er niet minder om; 3. achterstaand in rang: de mindere standen; 4. gering: de mindere zaken beschikte hij naar zijn goeddunken; dat is minder, dat is niet v...

2024-02-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

minder

I. bn.; in het alg.: kleiner; 1. in een of ander opzicht achterstaande bij een ander inz. met betrekking tot de maatschappelijke rang: is hij daar zo veel minder om, niet zo achtenswaardig? de mindere standen, lagere; de mindere militairen; 2. niet zo groot, geringer: dat is minder, niet van zoveel belang, dat hindert niets; 3. niet zo veel: in min...

2024-02-25
Encyclopedie voor Iedereen

John Kooy (1933)

Minder

→ Maeander 1).

2024-02-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

minder

('mindər) I. bn en bw. [komp. van min] 1.kleiner : tegen -e vrijs. → man. 2. bij een ander achterstaand : zo'n onfatsoenlijk gedrag, je wordt er maar om; hij is er niet om. 3. lager in maatschappelijke stand : de -e man; -e mensen, goden; de -e volksklasse; de -e standen; waar meerder komt, moet wijken; -e militairen. 4. geringer...

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Minder

Minder bn. bw. comparatief van min: de zieke wordt met den dag minder; de prijs van de tarwe is vandaag wat minder; hij is er niet minder om; de mindere standen, de werklieden; — comparatief van weinig: hij heeft niet veel geld, maar nog minder verstand; niets minder dan dat; hoe minder hij spreekt, des te beter; in minder dan geen tijd was h...

2024-02-25
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Minder

Minder, bijw. geringer; kleiner; niet zooveel. *-BROEDER, m. (-s), zek. monnik. *-E, m. en v. (-n), lagere in rang, onderge- schikte.@# *-EN, bw. ow. gel. (ik minderde, heb geminderd), minder -, geringer -, kleiner maken of worden, afnemen; eene kous -, bij het breijen naauwer maken; de levensmiddelen - (slaan af, worden goed-kooper). *-HEID, v....