Wat is de betekenis van kruik?

2019
2022-12-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kruik

kruik - Zelfstandignaamwoord 1. een fles of zak die gevuld is met warm water en die dient om het bed te verwarmen Leg even die kruik in mijn bed. 2. een vat om een vloeistof in te bewaren en om die eruit te schenken We namen een kruik mee op onze expediti...

Lees verder
2018
2022-12-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kruik

kruik - zelfstandig naamwoord 1. fles van aardewerk of metaal ♢ de jenever zat in een kruik 1. een warme kruik [metalen fles of rubberen zak gevuld met heet water] 2. de kruik g...

Lees verder
1997
2022-12-08
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

kruik

In de 17de eeuw komt de bastaardvloek gans kruiken voor. Waarschijnlijk is dat een verbastering van bygan(t)s kruys of van gans cruysen. Anderzijds is ook de verklaring plausibel dat men zwoer bij alles wat God of diens Zoon gebruikte, waardoor men in kruik niet altijd een verbastering hoeft te zien. zie korf, moeder.

Lees verder
1990
2022-12-08
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

kruik

kruik - Houders, meestal van aardewerk, steengoed of porselein, smalle hals, handvat gekruld of als verticale beugel, soms met schenktuit; inhoud tot 10 liter.

1973
2022-12-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kruik

v./m. (-en), 1. aarden of metalen vat, hoog in verhouding tot de breedte, cilindervormig of met een buik, met nauwe hals en gewoonlijk met een oor, om vloeistoffen in te bewaren en uit te schenken: een — jenever; een aarden (spr.) de — gaat zolang te water tot zij breekt (barst), de onvoorzichtige, de ongehoorzame, die niet naar goede r...

Lees verder
1952
2022-12-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kruik

s., krûk, kanne; (beddekruik), kantsje (it), krûkje (it); de — gaat zolang te water tot ze breekt, de krûk giet salang to wetter ont er de hals brekt.

1950
2022-12-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kruik

v. (-en), 1. aarden of metalen vat, hoog in verhouding tot de breedte, cylindervormig of met een buik, met nauwe hals en gewoonlijk met een oor, om vloeistoffen in te bewaren en uit te schenken: een kruik bier ; een kruik Bols; een stenen, een aarden kruik; — (spr.) de kruik gaat zo lang te water tot zij breekt of barste ...

Lees verder
1937
2022-12-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kruik

v. -en; aarden vaatwerk; metalen fles, dienende om met heet water gevuld het bed te verwarmen; urn, lijkbus; gele plomp: een waterkruik, een bierkruik, een wijnkruik, een oliekruik; spreekw. De kruik gaat zolang te water, tot zij breekt (of: berst), men kan zo lang met een aarden kruik water scheppen, tot zij breekt, fig. lange tijd iets gevaarlijk...

Lees verder
1930
2022-12-08
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

kruik

v. (-en; -je) [~ kroeg] I. Eig. 1. Algm. aarden vat, meestal meer hoog dan wijd, met een korte nauwe hals, om vloeistoffen in te bewaren : een stenen -; een bier; een met olie, wijn; een bier-, olie-, water-, wijnkruik; met de op het hoofd water gaan halen. Gez. de -en bestellen, beschikken, de zaak regelen; de gaat zo lang te water, tot ze breekt...

Lees verder
1898
2022-12-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kruik

Kruik v. (-en), eene soort van aarden flesch: eene kruik bier; het bier in kruiken tappen; — (spr.) de kruik gaat zoo lang te water, totdat zij barst (breekt), de boosdoener wordt eindelijk gestraft, de onvoorzichtige, de onbedachtzame, de ongehoorzame, die niet naar goeden raad wil luisteren, ondervindt daarvan vroeg of laat de hem voorspeld...

Lees verder
1864
2022-12-08
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Kruik

Kruik, v. (-en), soort aarden flesch; aschkruik, urn, lijkbus; de - gaat zoo lang te water tot dat zij barst, de boosdoener wordt eindelijk gestraft; (ook) het zal weldra een einde hebben; (fig.) ergens de -en bestellen, het beheer der zaker hebben. *-JE, (B. -N), o. (-s).

Lees verder