Wat is de betekenis van kloten?

2026-07-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Kloten

(klootte, heeft gekloot), 1. (gew.) met de kloot spelen, klootschieten; 2. (Zuidn., gemeenz.) bedriegen: gij zult mij niet kloten; — hij kloot er onder, hij liegt en bedriegt, (ook) hij speelt vals.