Klop
I. tw. ter nabootsing van het geluid van kloppen : klop, klop, ging het op de deur ; II. zn. m. (-pen), 1.slag, klap, bep. een hoorbare slag op iets hards, en in ’t bijz. zulk een slag als teken of waarschuwing: een klop op de deur geven ; — tegen een klop kannen, tegen een stoot kunnen, iets kunnen verdragen; 2....