Wat is de betekenis van kleren?

2020
2021-12-05
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

kleren

verzameling kledingstukken. dat wat men draagt om zich mee te kleden; zaken die gebruikt worden om zich mee te kleden; zaken die gebruikt worden om het lichaam mee te bedekken en warm te houden; wat dient om zich mee te kleden; dat wat men draagt om zich te kleden; lichaamsbedekking voor mensen; verzameling kledingstukken, vaak een combinati...

Lees verder
2019
2021-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kleren

kleren - Zelfstandignaamwoord 1. de kleding of kledingstukken Jullie moeten vandaag nieuwe kleren kopen. kleren - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kleed Woordherkomst samentrekking van klederen, meervoud van kleed. Synoniemen kl...

Lees verder
2018
2021-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kleren

kleren - zelfstandig naamwoord uitspraak: kle-ren 1. wat je om je lichaam draagt ♢ als ik thuiskom doe ik eerst mijn oude kleren (alleen meervoud) aan Zelfstandig naamwoord: kle-ren Synoniemen kledij, kleding

Lees verder
1973
2021-12-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kleren

o. (mv.), kleding, kledingstukken, meestal als collectivum en gewoonlijk beperkt tot bovenkleding: een pak, een stel -; oude, gedragen — ; een kast vol —; (met betrekking tot een bepaald persoon) de kledingstukken die hij aan heeft, resp. aantrekt of afgelegd heeft: iemand de — van het lijf trekken; zijn — over een stoel han...

Lees verder
1952
2021-12-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kleren

s.pl., klean, guod (it); nette daagse —, forklaeijersklean, útdragersklean, útrindersklean; dat gaat je niet in de koudezitten, dat bliuwt jin net yn ’e (kâlde) klean hingjen, sitten, dat komt jin oan ’e krage; — maken de man, moaije fearren meitsje moaije f&uci...

Lees verder
1950
2021-12-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Kleren

o. mv., 1. voorwerpen dienende tot kleding, kledingstukken, meest als collectivum en gewoonlijk beperkt tot bovenkleding (tgov. goed) : een pak, een stel kleren; oude, gedragen kleren; een kast vol kleren; — een stuk kleren, een Medingstuk; — gemaakte kleren, confectie; — in betr. tot een bep. persoon:...

Lees verder