Jeuken
(jeukte, heeft gejeukt), ook JUKKEN, I. (onpers. en onoverg.) 1. jeuk gevoelen, het gevoel van jeuk hebben aan of in, krieuwelen: ik ben gisteren gevaccineerd en nu jeukt mijn arm; het jeukt mij op de rug, mijn rug jeukt; — (oneig.) ik weet, waar het hem jeukt, wat hem scheelt of waarmede hij geholpen is; 2. (fig.) een onbedwin...