Wat is de betekenis van immens?

2019
2022-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

immens

immens - Bijvoeglijk naamwoord 1. heel erg groot, groter dan de menselijke maat De passagiers verdwaalden in de immense stationshal.

Lees verder
2018
2022-11-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

immens

immens - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: im-mens 1. heel groot, leuk, fijn, veel ♢ zij berekenden de immense grootte van de zon 2. heel erg ♢ haar vader is immens rijk Bijvoeglijk na...

Lees verder
1994
2022-11-29
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Immens

[Lat. immensus, van metiri = meten; mensus sum = ik heb gemeten] ongemeten, onmetelijk; zeer groot.

1993
2022-11-29
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Immens

onmetelijk; ontzaglijk

1981
2022-11-29
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Immens

onmetelijk, heel groot, heel erg.

1980
2022-11-29
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Immens

A. T. Woonde en werkte tot 1834 in Amsterdam. Vermoedelijk is zij identiek met Agnette Theodora Immens, geb. a.d. Kaap de Goede Hoop, onbekend wanneer; reeds in 1782 in Amsterdam woonachtig; niet bekend waar en wanneer overleden. Schilderes van portretminiaturen. Tentoonstelling Amsterdam 1834: vrouwenportret (in miniatuur). Scheen 1969....

Lees verder
1973
2022-11-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

immens

[→Fr.], bn. en bw., onmetelijk, ontzaglijk: de immense grootte van de zon; bw.: hij is — rijk.

1955
2022-11-29
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Immens

onmetelijk

1950
2022-11-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Immens

(<Fr.), bn. bw., onmetelijk, ontzaglijk: de immense grootte der zon; — bw.: hij is immens rijk.

1949
2022-11-29
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Immens

(Lat. immensus), onmetelijk.

1948
2022-11-29
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

immens

onmetelijk; oneindig.

1937
2022-11-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

immens

bn., bw. (Fr. immense, Lat. immensus: onmetelijk; zeer erg); lees im-mens.

1930
2022-11-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

immens

(im'mens) bn. en bw. [Fr. < Lat. immensus] onmetelijk, ontelbaar, ontzaglijk, oneindig.

1914
2022-11-29
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

immens

immens - onmetelijk.

1908
2022-11-29
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Immens

onmetelijk.

1906
2022-11-29
wink

Wink's vreemde woordenboek

Immens

Fr., onmetelijk, oneindig.