Wat is de betekenis van houder?

2019
2022-01-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

houder

houder - Zelfstandignaamwoord 1. iemand die een bepaald stuk/recht in handen heeft. 2. een object dat iets vasthoudt. Woordherkomst Naamwoord van handeling van houden met het achtervoegsel -er Verwante begrippen houdster, [1] bezitter

Lees verder
2018
2022-01-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

houder

houder - zelfstandig naamwoord uitspraak: hou-der 1. degene van wie iets is ♢ deze veehouder heeft 80 koeien 2. ding waarin je iets kunt bewaren of opbergen ♢ dit is een houder voor tandenborste...

Lees verder
2000
2022-01-18
Basisboek Recht

Basisboek Recht

Houder

Degene die houdt voor een ander.

1992
2022-01-18
Hoofdlijnen Nederlands Recht

Hoofdlijnen Nederlands Recht

houder

Iemand die een goed onder zich heeft, geen eigenaar/rechthebbende is en dit ook geenszins pretendeert. Voorbeeld: de lener of de huurder.

1973
2022-01-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

houder

m. (-s), I. iemand die houdt: 1. iemand die bezit: de houders van de bankbiljetten; de — van een wissel, hij die op de vervaldag hetzij als nemer, hetzij als geëndosseerde de rechthebbende is op de wisselsom; (bij uitbreiding) hij die op een bepaald ogenblik eigenaar van de wissel is: de rechtmatige — van een wissel enz.; de &mdas...

Lees verder
1952
2022-01-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Houder

s., hâlder.

1950
2022-01-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Houder

m. (-s), I. iem. die houdt. 1. iem. die bezit: de houders der bankbiljetten; — (kooph. en rechtst.) de houder van eèn wissel, hij die op de vervaldag hetzij als nemer, hetzij als geëndosseerde de rechthebbende is op de wisselsom; (bij uitbr.) wie op een bepaald ogenblik eigenaar van de wissel is: de rechtmatige ho...

Lees verder
1937
2022-01-18
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

houder

m. -s; in het alg. iem., die houdt; 1. met betrekking tot een stuk: de persoon, die het in handen heeft en er het recht of de rechten, die er in worden genoemd, aan kan ontlenen bloot krachtens zijn bezit of omdat hij er met name in of op is aangewezen: de houders van staatsschuldbrieven, der bankbiljetten; de houder v. e. wissel; 2. met betrekkin...

Lees verder
1916
2022-01-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Houder

Houder - hij, die een zaak onder zich heeft, onverschillig of hij dat voor zich zelf doet of voor een ander. Hierin onderscheidt zich het houderschap (detentie) van het bezit. Houder voor een ander is b.v. de huurder, de bewaarder, enz. Wie een zaak voor een ander houdt is dus niet bezitter en mist dus ook de be-zitsactiën (612 B. W.). Ook kan hij...

Lees verder
1910
2022-01-18
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Houder

Houder - zie Toonder.

1898
2022-01-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Houder

HOUDER, m. (-s), iem. die houdt: de houder van eene bank van leening; kostschoolhouder, hotelhouder, stalhouder, veehouder, bijenhouder, stadhouder enz.; (kooph.) de houder van een wissel, de persoon die in den wissel wordt aangewezen als bevoegd om over het bedrag te beschikken; — houders van aandeelen, op wier naam de aandeelen in eene onde...

Lees verder
1898
2022-01-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Houder

zie Bezit.