Wat is de betekenis van Getal?

2021
2022-10-06
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Getal

Een getal is een aanduiding van een hoeveelheid, die zowel in wiskunde als in taalkunde gebruikt kan worden. Een getal is niet hetzelfde als een nummer, omdat een nummer geen hoeveelheid aanduidt. Getallen kunnen in woorden en symbolen worden geschreven, zoals '36' in symbolen, maar 'zesendertig' in woorden. De Romeinen schreven getallen vroeger in...

Lees verder
2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

getal

getal - Zelfstandignaamwoord 1. (wiskunde) abstracte weergave van een hoeveelheid m.b.v. cijfers en eventueel een komma en een punt Tien is een even getal en elf een oneven. in plaats van ééenveertig en een half schrijven we liever het getal 41,5...

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

getal

getal - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-tal 1. nummer van een of meer cijfers ♢ noem een getal onder de tien 1. in groten getale kwamen de mensen erop af [er kwamen veel mensen] ...

Lees verder
2017
2022-10-06
Taaladvies

Alles over taal

Getal

Het grammaticale getal (of: numerus) heeft betrekking op het onderscheid tussen enkelvoud en meervoud. Dit onderscheid wordt zowel bij zelfstandige naamwoorden (jongen - jongens, vrouw - vrouwen) en voornaamwoorden (ik - wij) als bij werkwoorden ((ik) ga - (wij) gaan) gemaakt.

2017
2022-10-06
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

getal

Een getal is de aanduiding van een hoeveelheid. Een getal kan worden weergegeven in woorden of in symbolen (cijfers).

2004
2022-10-06
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

getal

- niet in getal zijn, niet in voldoende aantal aanwezig zijn op een vergadering.

2000
2022-10-06
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Getal

Het getal van het beest, het getal 666, verbonden aan het beest, de antichrist, uit de Openbaringen; algemener: het op ondergang en onheil wijzend getal, het ongeluksgetal 666. Het ongeluksgetal bij uitstek, het getal van het beest, wordt genoemd in Openbaring 13:18, in een raadselachtige uitspraak: ‘Hier komt het aan op wijsheid. Laat ieder die in...

Lees verder
2000
2022-10-06
taaluniversum

Taalunieversum 'taaladvies' termenlijst

Getal

Het grammaticale getal (of: numerus) heeft betrekking op het onderscheid tussen enkelvoud en meervoud. Dit onderscheid wordt zowel bij zelfstandige naamwoorden (jongen jongens, vrouw vrouwen) en voornaamwoorden (ik wij) als bij werkwoorden ((ik) ga (wij) gaan) gemaakt.

1990
2022-10-06
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

getal

getal - Te gebruiken voor de abstracte eenheden die bij een wiskundig systeem horen en onderhevig zijn aan gespecificeerde wetten van opeenvolging, vermeerdering en andere functies. Gebruik 'cijfers' voor geschreven of gedrukte karakters die eenheden in een numerieke volgorde aanduiden.

1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

getal

o. (-len), 1. veelheid, aantal (echter niet direct met een zn. verbonden: men kan niet zeggen een boeken)-, het van de aanwezigen was zeer groot; de gasten waren slechts drie in —; ten getale van, in zo’n hoeveelheid als het telwoord aanwijst; zij kwamen in groten getale, met velen; bij getale tegen 20 procent korting, bij twaalftallen,...

Lees verder
1963
2022-10-06
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

getal

(het, -len), (ook:) kroonjaar, leeftijd van een rond aantal jaren (5, 10, 15 enz.). Dan staan ze 's ochtends voor de deur en dan zingen ze voor me, ‘lange libi [S, leven] en gezondheid, dat die Eendracht wense joe', dat is met je getal, en als je lunsroem hebt, je wordt 50, 55, en zo door, dan komt er bazuin koor, ze staan om de hoe...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Getal

s.n., tal (it), getal (it); hoeveel in —?, hoe machtich?; in groten -e, mei mannemacht.

1947
2022-10-06
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Getal

(1, wiskunde). Op de vraag: ,,Wat is een getal?” gaf in 1884 G. Frege een antwoord in zijn Grundlagen der Arithmetik; dat antwoord bleef echter vrijwel onbekend, totdat B. Russell in 1901 er nogmaals de aandacht op vestigde. Een getal is iets, dat zekere verzamelingen kenmerkt en dat zekere verzamelingen in klassen bijeenbrengt; zo kun...

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

getal

o. getallen, getalletje (1 hoeveelheid van een bepaalde naam; aantal; 2 voorstelling ener hoeveelheid door cijfers, woorden, letters; 3 spraakk. vorm van een zelfst. nw., al naarmate er sprake is van één persoon of zaak of van meer): 1. een groot getal, aantal; ten getale van 15, in groten getale; rekenk. een benoemd getal, b.v. 10 a...

Lees verder
1933
2022-10-06
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Getal

wiskundig begrip, ontstaat d/h samentellen v/e aantal gelijksoortige eenheden.

1933
2022-10-06
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Getal

Getal - 1° Wisk. Onder een stelsel van g. verstaat men een stelsel van ➝ grootheden, waarvoor zich de 4 hoofdbewerkingen laten invoeren, zoodanig dat de uitkomst van elke op twee g. toegepaste bewerking steeds weer een g. van het stelsel is; bovendien moeten die g. zich met behulp van een eindig of onbegrensd aantal teekens laten voorstellen. M...

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

getal

(gə'tal) o. (-len; -letje) [tellen] I. Eig. veelheid, al of niet bepaald : een groot -; een effen, rond -; honderd in -; in steeds toenemenden -e; ten -e van 700; 15 appelen is een benoemd-; 15 is een onbenoemd -; 500 inwoners en 700 inwoners zijn gelijknamige -len; 4 is een even, 3 een oneven -; 2 is een geheel -, 2/4 een gebroken - of breuk;...

Lees verder
1916
2022-10-06
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Getal

Getal - (wisk.). Uitgaande van het intuïtiefaanwezige begrip„tellen”: éen, éenen éenis twee,twee en éenis drie,.... verkrijgt men de z.g. rij dernatuurlijke getallen 1, 2, 3, 4, Ter bekorting stelt men deze getallen voor door afzonder-lijke teekens, „cijfers”. Dank zij de regelmaatvan het tellen kan men zich echter beperkentot een kleine reeks cij...

Lees verder
1908
2022-10-06
Vivat

Schrijver op Ensie

Getal

de uitkomst eener meting, hetzij hoeveelheid, eenheid, of deelen daarvan; als de naam gegeven wordt van de eenheden waaruit het G. bestaat heet dit een benoemd getal, en wordt die naam niet gegeven, een onbenoemd getal. Benoemde getallen zijn gelijknamig, wanneer ze uit eenheden van denzelfden naam bestaan. Wanneer een verandering in het eene een v...

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Getal

GETAL, o. (-len), eene hoeveelheid, aantal: het getal der aanwezigen was zeer groot; drieduizend voetknechten boven het gewone getal; de gasten waren slechts drie in getal; — zij kwamen in groot en getale, in groot aantal; — het getal van Judas, het getal dertien — ten getale van vijf, vijf In aantal; bij getale tegen 20% korti...

Lees verder