Wat is de betekenis van geitenbok?

2020
2020-10-30
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek

geitenbok

volwassen mannelijke geit. Voorbeelden: Je weet toch dat we al jaren geen koebeesten meer hebben. Alleen een geitenbok. Remco Campert, De familie Kneupma, 2001 Hij heeft een geitebok op stal die onbedaarlijk stinkt. Lut Ureel, De lange geboorte, 1977 Het lam zou met de wolf verkeerd hebben, de luipaard zou bij de geite...

Lees verder
2020
2020-10-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

geitenbok

geitenbok - Zelfstandignaamwoord 1. de bok van een geit Woordherkomst samenstelling van geit en bok met het invoegsel -en-

Lees verder
2020
2020-10-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

geitenbok

(1961) (scheldw.) meestal voorafgegaan door ‘ouwe’ en van toepassing op een oudere (vervelende) vent. Eigenlijk: het mannetje van de geit. • ‘Ha!’ riep ze uit, een vreemde valse lach van woede. ‘Gek dat je bent! Stomme ouwe geitebok!’ (Jan de Hartog: De inspecteur. 1961)

Lees verder
2007
2020-10-30
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

geitenbok

(meestal voorafgegaan door ouwe) oudere (vervelende) vent. Eigenlijk: het mannetje van de geit. ‘Ha!’ riep ze uit, een vreemde valse lach van woede. ‘Gek dat je bent! Stomme ouwe geitebok!’ (Jan de Hartog, De inspecteur, 1961)

Lees verder

Gerelateerde zoekopdrachten