Wat is de betekenis van EG?

2020
2021-06-18
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Eg

Zie Egbert

2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

EG

EG - Zelfstandignaamwoord 1. (initiaalwoord) (afkorting) Europese Gemeenschap, voortgekomen uit Europese Economische Gemeenschap (EEG) en per 2009 met het Verdrag van Lissabon overgegaan in de EU

Lees verder
2018
2021-06-18
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Begrippenlijst door Ministerie van Buitenlandse Zaken

EG

Europese Gemeenschap. Voorheen de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009 is de EG vervangen door de EU.

2018
2021-06-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

eg

eg - zelfstandig naamwoord 1. werktuig dat bestaat uit een raam met pennen ♢ met een eg maakt de boer die grove kluiten in het land fijn Zelfstandig naamwoord: eg de eg de eggen ...

Lees verder
2017
2021-06-18
Wiki

Samenvattingen van Wikipedia artikelen.

EG

De banken moesten bijspringen, met uitstel van betaling en kwijtschelding van een deel van de schulden, anders zou het bedrijf met meer dan 110.000 werknemers failliet zijn gegaan. Daimler besloot de onderdelen van AEG te verkopen, onder te brengen bij andere bedrijfsonderdelen van het concern en de rest te sluiten. De merknamen van AEG kwamen in...

Lees verder
2003
2021-06-18
Financieel Woordenboek

Door Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

EG

EG - Afkorting van Europese Gemeenschap.

1996
2021-06-18
Liek Mulder

Auteur van o.a. Historische gids van de 20e eeuw (Uitgave 1996)

EG

Europese Gemeenschap

1994
2021-06-18
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

eg

eg, → Europese Gemeenschap

1983
2021-06-18
Aardijkskunde

Lexicon Aardrijkskunde

Eg

Europese Gemeenschappen.

Lees verder
1981
2021-06-18
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Eg

Europese Gemeenschap, zie EEG.

1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

eg

v./m. (-gen), (ook: egge), grondbewerkingswerktuig om de bovenste laag van de bouwvoor te verkruimelen en min of meer vlak te strijken. De eg dient tegelijk ter bestrijding van onkruid doordat het met wortel en al wordt losgetrokken. Sommige eggen worden verder gebruikt voor het onderbrengen van zaaizaad en kunstmest. Een eg bestaat uit een raamwe...

Lees verder
1972
2021-06-18
OHS1

Oosthoek Encyclopedie supplement

Eg

afk. van: → Europese Gemeenschappen.

1933
2021-06-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Eg

egge, houten of ijzeren raamwerk m/benedenwaarts gerichte tanden, o/d geploegde aarde getrokken om de kluiten te breken en kleine voren te vormen.

1933
2021-06-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Eg

1° (landb.) ➝ Eggen. 2° Waterbouwkunde. In principe en vorm is deze gelijk aan het landbouwwerktuig en dient om den grond los te woelen, die dan door den stroom meegevoerd wordt. Vandaar kan de eg slechts gebruikt worden op plaatsen, waar een sterke stroom staat. Voortbeweging geschiedt door sleepboot, vroeger gesleept door speciaal hiervoo...

Lees verder
1928
2021-06-18
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Eg

Jullie kennen natuurlijk allen dit landbouwwerktuig en ook weet je wel zo ongeveer, waarvoor het gebruikt wordt. Wij kunnen daarom met een korte vermelding volstaan. Een eg bestaat uit een raam, dat van hout of van ijzer kan zijn, waarin op regelmatige afstanden pennen zijn bevestigd, zodanig, dat bij het voorttrekken van de eg iedere pen zijn eige...

Lees verder
1916
2021-06-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Eg

Eg - of egge is een grondbewerkingswerktuig. (Zie betr. plaat II). Het werktuig bestaat in den regel uit een houten of ijzeren raamwerk, waarin pennen of tanden zóódanig op onderlinge afstanden zijn bevestigd, dat bij het voorttrekken van do eg over den akker iedere tand zijn eigen voortje maakt. — De grond wordt geëgd om kluiten te verkruimelen, d...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Eg

EG, v. (-gen), zie EGGE.