Wat is de betekenis van doorluchtig?

2019
2021-04-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

doorluchtig

doorluchtig - Bijvoeglijk naamwoord 1. waarvan de roem overal heen uitstraalt, verheven 2. licht en lucht doorlatend Woordherkomst van het Middelnederlandse woord dorelichtich, een leenvertaling van het Latijnse woord perillustris Samenstellende afleiding van door en licht met het achtervoegsel -ig

Lees verder
1981
2021-04-15
zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Doorluchtig

hangt samen met doorlichten, stralen, glanzen; titel waarmee vorsten worden aangesproken.

1973
2021-04-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

doorluchtig

bn. (-er, -st), 1. verheven, roemrijk, roemwaardig; m.n. in titels: Doorluchtige Hoogheid, titel van prinsen; aanzienlijk: doorluchtige vergadering; ook met betrekking tot geestelijke waarden: een — voorbeeld; de doorluchtige (of doorluchte) school, het vroegere Athenaeum IIlustre te Amsterdam; 2. (thans vnl. scherts.) luchtig, lucht en lich...

Lees verder
1952
2021-04-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Doorluchtig

adj., trochloftich.

1950
2021-04-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Doorluchtig

DOORLUCHT, bn. (-er, -st), 1. verheven, roemrijk, roemwaardig; inz. in titels: Doorluchtige Hoogheid, titel van prinsen; Doorluchtige Hoogwaardigheid, (nog Zuidn). titel van bisschoppen; aanzienlijk: doorluchtige vergadering; ook met betr. tot geestelijke waarden: een doorluchtig voorbeeld; de doorluchtige (of ...

Lees verder
1921
2021-04-15
Levende taal

T. Pluim - 1921

Doorluchtig

Men had vroeger een bijv.n.woord doorlucht, bijv. door luchte glazen: waar de lucht of het licht doorvalt; doorschijnend. Hiernaast bestond een ander doorlucht uit 't Hoogd. overgenomen (durch-laucht), dat: door en door glanzend, helderstralend bet. en een letterlijke vertaling is van ’t Lat. illustris, den titel van vorsten enz.; van be...

Lees verder
1898
2021-04-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Doorluchtig

DOORLUCHTIG, DOORLUCHT, bn. (-er, -st), aanzienlijk, achtbaar doorluchtige heer — doorluchtige hoogheid, titel van graven en hertogen; — doorluchtige Hoogwaardigheid, titel van bisschoppen; — doorluchtige vergadering; hij is van doorluchtige afkomst; — de doorluchtige (of doorluchte) school, het vroegere Athenaeum Illustre t...

Lees verder