Wat is de betekenis van doch?

2019
2022-01-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

doch

doch - Voegwoord 1. echter, maar Hij was geen edel mens, doch een schoft. De heer Olivier B. Bommel eet meestal een eenvoudige, doch voedzame maaltijd.

Lees verder
2018
2022-01-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

doch

doch - voegwoord 1. geeft een tegenstelling aan ♢ hij is lastig doch interessant Voegwoord: doch Synoniemen daarentegen, echter, evenwel, maar, nochtans

Lees verder
1973
2022-01-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Doch

voegw. van het beperkend tegenstellend zinsverband, maar: ik heb hem genoeg gewaarschuwd, doch hij heeft niet willen luisteren; in de spreektaal wordt het nooit gebruikt.

1952
2022-01-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Doch

conj., mar, doch.

1950
2022-01-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Doch

vw. van het beperk, tegenst. zinsverband, maar: ik heb hem genoeg gewaarschuwd, doch hij heeft niet willen luisteren (doch is deftiger dan maar; in de spreekt, wordt het nooit gebruikt).

1937
2022-01-18
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

doch

(maar), tegenstellend vgw.

1933
2022-01-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Doch

Vestingstad in de nabijheid van Jericho, waarin de Mach. Simon, Mathathias en Judas vermoord werden (1 Mac. 16.15). "Ain Doek. Hier werd in 1921 een oude Joodsche synagoge blootgelegd (vgl. Rev. Bibl., 1921 en 1929).

Lees verder
1898
2022-01-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Doch

DOCH. vw. van het beperk, tegenst. zinsverband; ik heb hem genoeg gewaarschuwd, doch hij heeft niet willen luisteren, (doch is deftiger dan maar en legt meer nadruk op de tegenstelling). Vgl. nog ’t voegw. bw. toch.

1898
2022-01-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Doch

zie Dan.