Wat is de betekenis van Cru?

2019
2022-11-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

cru

cru - Zelfstandignaamwoord 1. wijnstreek en wijnoogst m.b.t. plaats en jaar     ♢ geeft u mij maar een grandcru château Lafite Rothschild van 1953 cru - Bijvoeglijk naamwoord 1. ruw, grof, rauw, hard, ruig Woordherkomst afgeleid van het Franse cru Verwante begrippen natur...

Lees verder
2018
2022-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

cru

cru - bijvoeglijk naamwoord 1. pijnlijk openhartig en direct ♢ die opmerking van Jan was erg cru Bijvoeglijk naamwoord: cru de/het crue ...

Lees verder
2017
2022-11-30
Gert Crum

Champagne compleet

Cru

De huidige 319 gemeenten van de champagne waar de wijnstok groeit, noemen we crus. In andere Franse wijnbouwgebieden wordt het begrip cru ook gebezigd - veelal in relatie tot een klassement van de wijngaarden of de wijnen. Het begrip 'cru' is een oud woord in de Franse taal. Sinds al meer dan zeven eeuwen staat dit woord voor 'l'endroit où croît la...

Lees verder
2011
2022-11-30
Wijnetiketten

Het wijnetiket verklaard (Uitgave 2011)

Cru

(F) Gewas of wijngaard, deze aanduiding wordt meestal gebruikt voor kwalitatief goede wijn.

2005
2022-11-30
Harold Hamersma

wijnbegrippen in gewone mensentaal

cru

In Frankrijk is het vooral bekend door de tien crus die de Beaujolais telt, zijnde de dorpen die er de beste wijnen maken. Op papier dan. In Piemonte is het overigens een afgebakende wijngaard.

Lees verder
1994
2022-11-30
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Cru

[Fr., van crû, v.dw van croître = Lat. crescere = groeien] opbrengst, oogst, spec. van wijngaard.

1993
2022-11-30
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Cru

ruw; onverbloemd; wijnoogst

1979
2022-11-30
drank

Wijn & drank encyclopedie

Cru

1. Eigenlijk oogst. 2. Wijngaard van hoge kwaliteit welke volgens de classificatiewetten gewoonlijk een bijzondere erkenning krijgt. Een officieel geklasseerde wijngaard wordt een Cru Classé.

Lees verder
1952
2022-11-30
Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Cru

I. rauw; onverteerbaar; hard [water]; ruw, onbereid; fig. schel [licht, geluid], schril [kleuren], ruw, grof, stotend, onomwonden; à cru, zo maar; II. gewas; les grands crus de Bordeaux, de beroemde Bordeauxwijnen; de mon cru, van mijn eigen grond; fig. van eigen vinding.

Lees verder
1951
2022-11-30
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

Cru

1 cru, kruis; 2 Zuiderkruis; 3 fig (onoplosbare) moeilijkheid.

Lees verder
1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Cru

(Fr.), bn. bw., rauw, ruw, ongezouten, onbewimpeld: dat klinkt —, is een beetje cru; een cru woord.

1948
2022-11-30
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

cru

(Fr.) rauw, ruw, onkies, grofweg, ongezouten.

1937
2022-11-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

cru

bn., bw. (Fr. [Lat. crudus]: ongaar; rauw, ruw, ongezouten): iets - zeggen.

1930
2022-11-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

cru

(kru) bn. en bw. [Fr.] onkies, ruw : een gezegde ; zich uitdrukken.

1914
2022-11-30
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

cru

cru, - ruw, onkiesch; rauw.

1908
2022-11-30
Vivat

Schrijver op Ensie

Cru

fr. Rauw, ruw, Cruditeit (vooral van spijzen) onverteerbaarheid,

1906
2022-11-30
wink

Wink's vreemde woordenboek

Cru

Fr., ruw, stuitend.

1898
2022-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Cru

CRU, bn. bw. ruw, scherp, onbewimpeld cru zijn oordeel zeggen.