Wat is de betekenis van Clerus?

2019
2021-01-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

clerus

clerus - Zelfstandignaamwoord 1. de leiders van een kerkgenootschap De clerus had het recht te oordelen over leven en dood. Synoniemen geestelijkheid Verwante begrippen godsdienst, religie

Lees verder
2018
2021-01-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

clerus

clerus - zelfstandig naamwoord uitspraak: cle-rus 1. de gezamenlijke geestelijken van een bepaalde kerk ♢ de clerus van de katholieke kerk neemt in omvang af Zelfstandig naamwoord: cle-rus de clerus

Lees verder
1955
2021-01-19
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

CLERUS

is de technische benaming van de „geestelijke stand” in de Katholieke Kerk, ter onderscheiding van de lekenstand (zie Leek). Het door Christus in de Kerk gestelde apostolische ambt en de voortzetting daarvan in de apostolische successie vormen het fundament van een heilige hiërarchie, die reeds in de apostolische tijd verschillend...

Lees verder
1950
2021-01-19
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Clerus

(Lat.), m., de (R.-K.) geestelijkheid.

1949
2021-01-19
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Clerus

(Gr. klèros, lot, erfdeel), geestelijkheid. Tot de R.K. C. behoren allen die door het ontvangen van de tonsuur* of enigerlei wijding door de Kerk in de geestelijke stand zijn opgenomen en als zodanig van de leken, laici (van Gr. laos, volk) zijn onderscheiden. Men spreekt van clerici reguläres of reguliere geestelijken (kloosterlingen)...

Lees verder
1948
2021-01-19
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

clerus

(Lat.) ra. R.K. geestelijkheid.

1937
2021-01-19
Scholastiek Lexicon

Latijns-Nederlandsch

CLERUS

Geestelijke stand.

1933
2021-01-19
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Clerus

Clerus - ➝Clericus.

1926
2021-01-19
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Clerus

= naam in de Roomsche kerk van den geestelijken stand, afgeleid van het Grieksche woord klèros, dat erfdeel beteekent, omdat deze stand beschouwd wordt als tot erfdeel des Heeren geroepen te zijn, naar het voorbeeld der Levieten (Num. 18 : 20). Wie de tonsuur (kruinschering) ontvangen heeft, behoort tot den Clerus, die echter in hoogere en l...

Lees verder
1922
2021-01-19
Wetenswaardig Allerlei

Wetenswaardig Allerlei door T. Pluim, uitgave 1922

Clerus

Clerus (Grieks klêros) heette bij de Joden de Stam van Levi, wiens leden speciaal waren toegewijd aan den dienst des Heeren, er daarom het „deel", de „erfenis" (Klêros) des Heeren genoemd werden. Reeds de apostel Petrus noemde de bedienaren van Christus' kerk Klêrikoi in 't Grieks, Clerici in 't Latijn. Hel woord clericus werd in onze taal overgeno...

Lees verder
1916
2021-01-19
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Clerus

Clerus - in de R. K. kerk de aan den dienst van God in ’t bijzonder toegewijde stand; heeft zijn naam van het Grieks voor aandeel of lot, omdat hij volgens het voorbeeld der Levieten van het O. T. (Num. XVIII. 20: „Ik ben uw deel en uw erfgoed in het midden der Kinderen van Israël”), den Heer tot deel en in sortem Domini geroepen is. In den gelijke...

Lees verder
1898
2021-01-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Clerus

CLERUS, m. de (R. K.) geestelijkheid,