Wat is de betekenis van breedte?

2019
2021-01-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

breedte

breedte - Zelfstandignaamwoord 1. (wiskunde)afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte Als je de lengte en de breedte van een kamer weet kun je de oppervlakte berekenen. 2. (astronomie)(aardrijkskunde)de langs een meridiaan gemeten afstand in booggraden, vanaf de evenaar totaan een punt...

Lees verder
2018
2021-01-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

breedte

breedte - zelfstandig naamwoord uitspraak: breed-te 1. afstand van de ene zijkant tot de andere ♢ wat is de breedte van deze gang? Zelfstandig naamwoord: breed-te de breedte de breedtes...

Lees verder
2017
2021-01-26
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

breedte

Breedte is de maat die wordt gebruikt bij de berekening van de oppervlakte van een tweedimensionaal vlak. De oppervlakte is dan lengte maal breedte.

1990
2021-01-26
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

breedte

breedte - De maat genomen van de ene zijkant van een voorwerp naar de andere.

1973
2021-01-26
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

breedte

breedte - v. (-n, -s), 1. het breed-zijn, breedheid; 2. afmeting van iets loodrecht op de lengte of de hoogte: de kamer heeft een — van vijf meter; banen van verschillende —; die stof is in verschillende breedten verkrijgbaar; in de —, volgens de afmeting ‘breed’; in zijn volle —, in de afmeting ‘breed&rsqu...

Lees verder
1971
2021-01-26
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Breedte

Breedte - → Hoofdafmetingen, → Coördinatenstelsel.

1950
2021-01-26
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Breedte

v. (-n), 1. (w. g.) het breed-zijn, breedheid; 2. afmeting van iets loodrecht op de lengte of hoogte : de kamer heeft een breedte van 5 meter, heeft 5 meter breedte ; banen van verschillende breedte ; die stof is in verschillende breedten verkrijgbaar ; — in de breedte, volgens de afmeting „breed” ; in zijn volle...

Lees verder
1942
2021-01-26
Vreemde woorden in de Sterrenkunde

Prof. Dr. P.H. van Laer

Breedte

Vert. v. Lat. latitüdo en Gr. platos, die in de omgangstaal en als vakterm dezelfde betekenissen hebben. → Lengte. Astronomische breedte = sferische afstand van ster tot ecliptica. Geografische breedte = sferische afstand van plaats op aarde tot aardaequator.

Lees verder
1933
2021-01-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Breedte

Breedte - 1° breedte aan den hemelbol = afstand in boogmaat tot de ecliptica. 2° Galactische, eveneens aan den hemelbol = afstand in boogmaat tot den melkwegcirkel. 3° Geographische. De geographische b. van een punt is de afstand van die plaats ten Noorden of ten Zuiden van den evenaar, gemeten in graden (1/360e) van den meridiaan over...

Lees verder
1928
2021-01-26
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Breedte

Dit is een gewoon woord en toch ook niet gewoon. Om goed te begrijpen, wat in aardrijkskundigen of astronomischen (sterrenkundigen) zin breedte is, zul je er even je globe of atlas bij moeten halen. Om op de aarde, die bolvormig is, de plaats van een bepaald punt te kunnen vaststellen, maakt men gebruik van een denkbeeldig stel lijnen, de zogenaamd...

Lees verder
1916
2021-01-26
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Breedte

1e. Bij een rechthoek de kortste afmeting, bij een lichaam de kortste horizontale afmeting. 2e. geografische. De afstand, waarop een plaats gelegen is ten noorden of ten zuiden (N. B. of Z. B.) van den evenaar, gemeten langs den meridiaan.

Lees verder
1916
2021-01-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Breedte

Breedte - In de sterrenkunde: 1) de boogsafstand van een hemellicht tot de ekliptika; het voetpunt van den boog bepaalt, van het lentepunt uit gemeten, de lengte der ster. Men onderscheidt N. en Z. breedte. De b. der zon is, zeer kleine storingen daargelaten, nul. 2) de boogsafstand van een ster tot den grooten cirkel, dien men wel door den Melkweg...

Lees verder
1908
2021-01-26
Vivat

Schrijver op Ensie

Breedte

1) Een der beide afmetingen van een vlak, nl. die afmeting welke loodrecht staat op de lengte; gewoonlijk noemt men de afmeting die het grootst aantal lengte-eenheden bevat, lengte, en de afmeting die het kleinst aantal lengte-eenheden bevat, breedte. 2) Aardrijkskundige breedte: zie Plaatsbepaling.

Lees verder
1898
2021-01-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Breedte

BREEDTE, v. (-n), afmeting van iets loodrecht op de lengte: de kamer heeft eene breedte van 5 Meter, heeft 5 Meter breedte; — het moet uit de lengte of uit de breedte, op de eene of andere wijze moeten de noodige onkosten bestreden worden; — baan (van stoffen): er gaan vier breedten aan of in dit kleed, er zijn drie banen toe noodig;...

Lees verder