Wat is de betekenis van bijvoeglijk?

2025-12-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Bijvoeglijk

bn. en bw., (taalk.) bijvoeglijk naamwoord, woord dat een eigenschap of een hoedanigheid van een zelfstandigheid aanduidt; — bijvoeglijke bepaling, bepaling ener zelfstandigheid; — ’t woord is bijvoeglijk gebruikt, als bijvoeglijke bepaling: een bijvoeglijk gebruikt voornaamw., telwoord ; vgl. zelfstandig.

2025-12-14
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

bijvoeglijk

bijvoeglijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. (taalkunde) nader bepalend Een bijvoeglijk naamwoord zegt wat over een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord. De lange, dikke, domme man is wel aardig. In deze zin zijn lange, dikke, domme en aardig bijvoeglijk...

2025-12-14
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

bijvoeglijk

bijvoeglijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: bij-voeg-lijk 1. woord of woordgroep horend bij een zelfstandig naamwoord (attributief) ♢ in 'een MOOI huis' is MOOI een bijvoeglijk naamwoord 1. bijvoeglijk naamwoord ...

2025-12-14
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

bijvoeglijk

1. bn.: een bijvoeglijk naamwoord noemt kenmerken van zelfstandigheden en begrippen; een bijvoeglijke bepaling bepaalt zelfstandigheden; 2. bw.: een woord bijvoeglijk gebruiken.

2025-12-14
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Bijvoeglijk

Bijvoeglijk - of attributief worden die ➝ bepalingen genoemd, welke behooren bij een zelfstandig naamwoord of een ander als zoodanig gebruikt woord. Ze kunnen staan voor en achter het nader bepaalde woord: iedere taal heeft hiervoor zijn vaste regels. Als b. bepalingen kunnen voorkomen: 1° zelfstandige naamwoorden of zelfstandige voornaamw.,...

2025-12-14
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

bijvoeglijk

(bij'voechlək) 1. bn. →: bijvoeglijke bepaling enz. 2. bw. als bijvoeglijk naamwoord : in „tien mensen” is „tien” gebruikt.

2025-12-14
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Bijvoeglijk

bn. en bw., (taalkunde) naamwoord, woord dat een eigenschap of een hoedanigheid van een zelfstandigheid aanduidt; adjectivum; bijvoeglijke bepaling, onderscheidende bepaling van een zelfstandigheid, zie bijstelling; het woord is bijvoeglijk gebruikt, als bijvoeglijke bepaling: een bijvoeglijk gebruikt voornaamwoord; telwoord; vgl. zelfstandig.

2025-12-14
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Bijvoeglijk

BIJVOEGLIJK, bn. en bw. (taalk.) bijvoeglijk naamwoord, woord dat eene eigenschap of cene hoedanigheid van eene zelfstandigheid aanduidt; — bijvoeglijke bepaling, bepaling eener zelfstandigheid; — *t woord is bijvoeglijk gebruikt, als bijvoeglijke bepaling; een bijvoeglijk gebruikt voornaamw telwoord; vgl. zelfstandig.

2025-12-14
Prisma Nederlands-Duits

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2025-12-14
Prisma NL Sranantongo

Unieboek | Het Spectrum (2025)

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-14
Prisma Nederlands Fries

Unieboek | Het Spectrum (2025)