Afdragen
(droeg af, heeft afgedragen), 1. door dragen afslijten (klederen); — een afgedragen rok, versleten ; — er is geen af dragen aan die jas, ze verslijt niet; 2. naar beneden brengen: wij moesten hem de trap af dragen; (gew.) hij heeft er geen af dragen van, hij heeft er niets mee te maken, hij zal er geen schade...