maand betekenis & definitie

Het begrip maand heeft 37 verschillende betekenissen:

1) hoeveelheid van iets anders dan tijd, die bepaald of berekend wordt naar de tijdsduur van een maand
2) maand die rustig verloopt, zonder dat er veel te doen is of zonder stoornis
3) laatste maanden in het jaar waarin de dagen kort zijn en het weer vaak somber
4) ruim een maand; iets meer dan een maand
5) een groot aantal maanden; talloze maanden
6) slechts een klein aantal maanden; weinig maanden
7) de meest recente maanden; de laatste maanden; de afgelopen maanden
8) de ene maand wel en de daaropvolgende niet; elke twee maanden; eens in de twee maanden; tweemaandelijks
9) een maand die lang duurt voor het gevoel
10) telkens weer opnieuw gedurende een hele maand; maanden na elkaar zonder onderbreking
11) de maand, respectievelijk de maanden waarop plaatsvindt wat in de van-bepaling wordt genoemd
12) de maand mei is bij uitstek de maand waarin vogels eieren leggen en broeden
13) de eerstvolgende maanden
14) een maand, beschouwd als een tijd die men met zekere activiteiten of op een specifieke wijze doorbrengt
15) op een wijze of volgens een tijdschema of tempo waarbij telkens een periode centraal staat, die loopt van de ene kalendermaand tot de volgende; met de nadruk meer op het aspect van de continuïteit: de ene maand telkens na de andere zonder onderbreking of uitzondering; onafgebroken; iedere maand opnieuw
16) een maand effectieve of voorwaardelijke straf
17) periode van 28 tot 31 opeenvolgende dagen die een van de 12 cycli vormt waarin een kalenderjaar wordt onderverdeeld en die, onder een eigen naam, als tijdseenheid wordt gebruikt om een datum te bepalen samen met de dag; kalendermaand
18) in het midden van of halverwege de genoemde periode
19) een volledige maand
20) een maand daarvoor; in, tijdens de maand daarvoor
21) periode van ongeveer 29 dagen waarin de maan haar baan om de aarde voltooit gemeten ten opzichte van de zon, en haar opeenvolgende schijngestaltes volledig doorloopt
22) bepaalde, veelal op zeker tijdstip terugkerende periode van ongeveer 30 dagen waarin men overeenkomstig een gebruik of na aanwijzing door een bevoegd gezag iets gedenkt, viert, vereert of onder de publieke aandacht brengt
23) maand met belangrijke of doorslaggevende gebeurtenissen of beslissingen
24) maand die geschikt is voor enig doel
25) periode van ongeveer dertig opeenvolgende dagen, gerekend vanaf een willekeurig tijdstip tot dezelfde dag in de volgende kalendermaand; ruimer ook: periode van ongeveer vier weken
26) extra salaris ter grootte van een maandloon, dat veelal aan het einde van het jaar wordt uitbetaald
27) maand met veel bezigheden
28) bijna een maand; iets minder dan een maand
29) de maand die bezig is te verlopen; de huidige maand
30) periode waarin de maan haar baan om de aarde voltooit en opnieuw dezelfde positie tegenover een referentiepunt inneemt; maanmaand
31) periode van ongeveer 27 dagen waarin de maan haar baan om de aarde voltooit en gemeten ten opzichte van de sterrenachtergrond weer in dezelfde positie staat
32) een maand, beschouwd als een tijd die men met zekere activiteiten of op een specifieke wijze doorbrengt
33) maand die lang duurt voor het gevoel
34) sinds ongeveer een maand
35) ruim een maand; iets meer dan een maand
36) voor de termijn die zich uitstrekt over de genoemde kalendermaand
37) maand die niet aan de verwachtingen voldeed in enig opzicht

Gepubliceerd op 30-05-2017