Haaksbergen betekenis & definitie

De oudste nog rijdende stoomlocomotief in ons land pendelt op de lijn van de Museum Buurt Spoorweg tussen Haaksbergen en Boekelo. Het is een loc van de Staatsspoorwegen, die vanwege zijn schokkerig rijgedrag de bijnaam de Kikker kreeg. De stoomlocomotief werd in 1901 ontworpen en gebouwd door de Machinefabriek Breda. Het is het enige exemplaar van dit type dat nog in bedrijf is. De MBS bezit 7 stoomlocomotieven, 6 diesellocs en 70 personen- en goederenwagons.

De Oostendorper watermolen, ook wel de Grevenmölle genoemd, is de enige dubbele watermolen in Nederland. Op de ene beekoever staat de oliemolen, op de andere de korenmolen. Het fotogenieke monument draait sinds 1546. In Madurodam in Scheveningen/Den Haag* (ZH) staat een schaalmodel van de Oostendorper watermolen. Het juweeltje in Haaksbergen is een van de 46 stokoude wind- en watermolens in en rond Twente, die door middel van een speciale route met elkaar zijn verbonden. Meer dan twintig molens zijn nog in gebruik.

Over grensoverschrijdende activiteiten gesproken: in de eerste zogeheten Euregio bundelen 105 gemeenten in de Achterhoek, Twente, een stukje Zuidoost-Drenthe en delen van Niedersachsen en Westmünsterland hun krachten, onder meer op het terrein van toerisme. Dat verstandshuwelijk baarde vele tientallen grensoverschrijdende wandel-, fiets-, auto- en kanoroutes. Ze meanderen door het grensgebied: van een Achterhoeks gehucht waar het altijd zondag lijkt, via een Duits oerbos naar een Twents kasteel en terug naar een Saksische watermolen. Eigenlijk verraden alleen de nummerplaten, uithangborden en de taal of je in Nederland of Duitsland bent. In die eerste Euregio staan maar liefst zeshonderd kastelen, havezaten, landgoederen en andere bovenmodale behuizingen. De Hundert Schlösserroute Münsterland (715 km), de Kastelenroute IJssel-Ems (575 km) en de Kastelenroute Oost-Gelderland (355 km) rijgen een groot aantal van die monumenten aaneen tot een snoer van ruim 1600 km.

In het grensgebied kan men op een 110 kilometer lange route ook de voetsporen achterna van de tödden. Dat waren Duitse marskramers die van de 17de tot het midden van de 19de eeuw met hun hele handel op de rug naar Nederland togen. Ze sleten vooral linnen. Met succes, want eenvoudige tödden als de broers C. en A. Brenninkmeijer, Voss, Lampe, Kreymborg, Peek en zijn kompaan Cloppenburg legden de basis voor de latere kledingimperiums.