Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Kabelaring (zeevaart)

betekenis & definitie

Vroeger was het op zeeschepen de gewoonte, het anker te lichten met behulp van een touw zonder eind, een kabelaring. Men bevestigde het touw aan den ankerketting, legde het touw om het ankerspil en wond in.

Wanneer het anker zoover was ingehaald dat de ketting op de spil kwam, dan maakte men den ketting verderop aan het touw vast en wond opnieuw in. De kabelaring liep dus rond. Thans maakt men op motorschepen, die geen motor op het ankerspil hebben, weer van een kabelaringketting gebruik. Dat is een ketting zonder eind, waarvan de schalmen pakken in de kiezen (nesten of linken) van twee schijven, waarvan de één op de as van de motorlier en de andere op de as van het ankerspil is bevestigd. Verder heeft men een ophouder met een éénschijfblok noodig (deze wordt in den mast gehangen).Ook wordt een kabelaringketting gebruikt in de machinekamer als een schip stil ligt en men met de hulpmachine de groote machine wil tornen (draaien bij het nazien). De kabelaringketting is dan een afneembare kettingoverbrenging van de hulpmachine.

Een cocostros rondom het boeisel van een sloep, dienende als stootkussen bij het langszijliggen van een schip of kade, wordt bij de marine ook een kabelaring genoemd. Bij de koopvaardij noemt men dat een leguaan (eigenlijk het stootkussen op den neus van een scheepssloep).