Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Kaarden (spinnerij)

betekenis & definitie

Een bewerking van de wol, voordat ze tot garen versponnen wordt. Nadat de wol is gewasschen, gedroogd, geplozen, ontward en gezuiverd, wordt ze ingevet, om de wolvezels glibberig te maken en daardoor gemakkelijk langs elkaar te doen glijden.

Daarna begint het kaarden. In het kaardwerktuig bevindt zich een gesloten trommel, waarvan de buitenkant met haakjes (krassen) is bezet. Die trommel draait in het werktuig tegen de wol aan en de haakjes nemen daarvan fijne pluisjes wol mee, welke verder machinaal van de haakjes worden afgenomen en uitgespreid tot een vezelband, een dun vlies van wolharen, welke in alle richtingen door elkaar liggen. Hiermee is het kaarden afgeloopen. De vezelband wordt versponnen tot kaardgaren, een draad met weinig samenhang, maar sterk genoeg om geweven te kunnen worden. Het weefsel verkrijgt pas zijn sterkte, wanneer het gevold is tot een dichte lakenachtige stof. Zie vollen.