Een woordenboek van de filosofie

Begrippen, stromingen, denkers

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Beschrijvingen, theorie der

betekenis & definitie

Door Russell ontworpen theorie om zinnen te ontleden die ‘denoterende uitdrukkingen’ bevatten. Oorspronkelijk onderscheidde Russell twee manieren om iets via de taal aan te wijzen. Men kan het noemen, of men kan het denoteren, d.w.z. identificeren door termen met een algemene betekenis te gebruiken. ‘Socrates’ benoemt Socrates. ‘Die man’ benoemt noch Socrates noch iemand anders, maar kan er op grond van algemene regels voor het gebruik van ‘die’ en ‘man’ toe dienen om Socrates te identificeren.

Russell sprak daarom van denoterende uitdrukkingen, die er in twee soorten zijn. Uniek bepalende of definiete beschrijvingen beginnen met het bepaalde lidwoord of een equivalent ervan (‘die man’ is equivalent met ‘de man daarginds’). Indefiniete beschrijvingen beginnen met het onbepaalde lidwoord. Maar omdat definiete en indefiniete beschrijvingen kunnen voorkomen in zinnen waarbij er niets is dat ze denoteren, zoals in ‘de tegenwoordige koning van Frankrijk is kaal’, concludeerde Russell dat hun werkelijke functie niet is te denoteren, en dat de grammaticale vorm van zinnen waarin ze voorkomen een verkeerd beeld geeft van hun logische vorm. In feite gaf hij denotatie op, al bleef hij tijdelijk de term ‘denoterende uitdrukking’ gebruiken. De theorie der beschrijvingen zegt dat de logische vorm van het gegeven voorbeeld is: ‘er is precies één persoon die nu over Frankrijk regeert, en er is niemand die nu over Frankrijk regeert en die niet kaal is’. Er bestaan verschillende alternatieve formuleringen. Aangezien de betekenis van een zin niet behoort af te hangen van wat er toevallig bestaat, paste Russell deze analyse toe op alle denoterende uitdrukkingen, dus niet alleen op ‘de huidige koning van Frankrijk’ maar ook op ‘de huidige koningin van Engeland’. Deze uitdrukkingen worden dan onvolledige symbolen genoemd (zie logische constructies).

Tegenover denoterende uitdrukkingen staan logische eigennamen, waarvan de betekenis is wat ze benoemen. Gewone eigennamen die niets benoemen (en uiteindelijk, om verschillende redenen, alle eigennamen) beschouwde hij als beschrijvingen in vermomming, en dus als onvolledige symbolen. Zo staat ‘ Apollo’ voor ‘de Griekse zonnegod’, ‘Socrates’ voor ‘de filosoof die de gifbeker dronk’. Voorbeelden van logische eigennamen zijn volgens Russell woorden als ‘dit’ of ‘dat’, die verwijzen naar iets waar we direct mee geconfronteerd worden (vgl. sensa).

B. Russell, ‘On denoting’, Mind, 1905, herdrukt in zijn Logic and Knowledge, 1956, en elders.
(Oorspronkelijke versie van de theorie der beschrijvingen.)
R.J. Butler, ‘The scaffolding of Russell’s theory of descriptions’, Philosophi- cal Review, 1954. (Achtergrond van de theorie.)
P.F. Strawson, ‘On referring’, Mind, 1950, vaak herdrukt. (Valt de theorie aan. Vgl. ook Strawsons ‘Identifying reference and truth-values’, Theoria, 1964, herdrukt (met ‘On referring’) in zijn Logico-Linguistic Papers, 1971.

Russell antwoordt in ‘Mr Strawson on referring’, Mind, i957, herdrukt in zijn My Philosophical Development, 1959.)
L.Linsky, Referring, 1967. (Zoekt een middenweg tussen Russell en Strawson.)
G.Nuchelmans, Overzicht van de analytische wijsbegeerte, 1969, pp. 94-101.
(Bondige samenvatting van Russell en Strawson.)
A.J. Ayer, The Concept of a Person, 1963 (Over de persoonlijkheid, 1966), hoofdstuk 5. (Verdedigt de theorie der beschrijvingen.)