Rabus betekenis & definitie

Rabus (Petrus), een Nederlandsch letterkundige, geboren te Rotterdam den 12den December 1660, werd notaris in zijne geboorteplaats, legde zich met ijver toe op de oude talen en zag zich in 1686 benoemd tot praeceptor aan de Erasmiaansche school. Hij overleed in Januarij 1702. Reeds vroeg gaf hij met zijn vriend David van Hoogstraten uit: „Rijmoefeningen, bestaande in verscheidene stijl en stoffe van vaerzen, gepast op allerhande gelegentheden en voorvallen (1678)”, — „De Kruisheld of het leven van den apostel Paulus enz”, (1681)”, — en „Zegen- en vloekdichten (1594)”. Na zijn dood verschenen zijne gezamenlijke „Gedichten (1741)”.

Voorts leverde hij vertalingen uit het Grieksch en Latijn, — een commentaar bij de „Metamorphosen” van Ovidius, — „Grieksche, Latijnsche en Nederduitsche vermakelijkheden der taalkunde (1688)”, — „De vrije staatsregeling van Denemarken (1694)”, — en „Historie der vermaarde mannen en vrouwen (1698)”. Zijn hoofdwerk was de „Boekzaal van Europa”, waarmede hij in 1692 een aanvang maakte; dit werk heette van 1701 tot 1715: „Tweemaandelijksche uittreksels", en na dien tijd: „Boekzaal der geleerde wereld”. Ook leverde hij in stukjes onder den titel: „Groot naamboek” bouwstoffen voor een Nederlandsch woordenboek, alsmede een „Leven van Dirk Rafaëlsz. Kamphuijsen (1693)”.

Laatst bijgewerkt 14-08-2018