Ibérië betekenis & definitie

Ibérië is de naam van een tweetal landschappen, nameljjk:

Ibérië op het Caucasische Schiereiland of het hedendaagsche Georgië.

Het grensde ten westen aan Colchis, ten noorden aan den Caucasus en aan Sarmatië, ten oosten aan Albanië en ten zuiden aan Arménië. Het land werd besproeid door de Cyrus (thans de Koer) en hare zijrivieren, zooals de Aragus (Arak), Cambyses (Gori), Alasonius (Alasan) en Pelorus en leverde niet alleen eene groote hoeveelheid koren, maar ook olie en goeden wijn. De inwoners, Iberiërs (Iberes of Iberi) genaamd, stonden op een hoogeren trap van beschaving dan de naburige Colchiërs en behoorden, naar het gevoelen der Ouden, tot den Medisch-Assyrischen stam. Hunne voornaamste bezigheid was de landbouw en hunne godsdienst eene vereering der zon. De aloude geschiedenis des lands ligt in het duister, doch de naam Phrixupolis, dien te voren de stad Ideëssa aan de grenzen van Ibérië en Colchis droeg, schijnt te wijzen op de Grieksche mythus van Phrixus en alzoo op eene kolonisatie uit Griekenland. Ibérië werd wat meer bekend gedurende de oorlogen der Romeinen in Azië, bepaaldelijk door den veldtogt van Pompejus op het Caucasische schiereiland (65 vóór Chr.). In den tijd van Trajanus bevond zich het land onder de heerschappij der Romeinen, maar na den dood van Julianus werd het door den Perzischen koning Sapor veroverd.

Voorts werd uit Byzantium het Christendom aldaar verkondigd.

Ibérië in Spanje of het land, door de Iberus (Ebro) besproeid.

Het werd bewoond door de Ibériërs, die in geen regtstreeksch verband stonden met hunne naamgenooten in Azië. Zij strekten zich uit over geheel Spanje en Lusitanië, ja, zelfs over het zuiden van Gallië (Aquitanië) en de noordwesteljjke kusten en eilanden van de Middellandsche Zee tot aan den benedenloop der Rhône toe.

Zij vormden eenzelfden volksstam, die in vele afdeelingen was gesplitst, en de hedendaagsche Basken zijn daarvan afkomstig.

Uit de nasporingen van W. von Humboldt en later uit die van Kiepert is gebleken, dat men de tot ons gekomene Ibérische namen van plaatsen en personen doorgaans zeer goed uit het Baskisch verklaren kan.

Op het Pyrenésche schiereiland, door de Ouden ook Ibéria genoemd, bestonden onderscheidene Staten van Ibériërs, zoowel met een monarchalen als met een republikeinschen regéringsvorm. Bij vele van deze bloeiden landbouw en veeteelt. Ook werden er mijnen ontgonnen en vormde er de kunstmatige bewerking van metalen een belangrijken tak van nijverheid. De Ibériërs hadden een eigen letterschrift en wel 2 hoofdsoorten. Tot de meestbeschaafden onder hen behoorden de Turdetaners, die historische aanteekeningen, oude liederen en geschrevene wetten bezaten. Ook de Turdulers, in een gedeelte van Lusitanië gevestigd, stonden op een vrij hoogen trap van ontwikkeling. De krijgshaftigste stam was die der Cantabriërs in het noordelijk gedeelte van Oud-Castilië ; zij hebben zich beroemd gemaakt in den oorlog tegen de Romeinen (24—18 vóór Chr.).

De voorvaderen der hedendaagsche Basken zijn de Vasconen, Vardulers en Caristiërs. Uit eene vermenging van de Ibériërs met de derwaarts rukkende Celten ontstonden de Celtibériërs. De Ibériërs dreven een levendigen handel met Carthago, en vele Ibérische soldaten waren in Carthaagsche dienst.

De Romeinsche beschaving verspreidde zich onder de Ibériërs zeer spoedig, zoodat het Pyrenésche schiereiland weldra in een Latijnsch gewest herschapen werd. Uit den bloeitijd der Ibérische volken zijn onderscheidene munten overgebleven, beschreven door Boudard in zijne „Numismatique Ibérienne (1853)”.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018