Fabvier betekenis & definitie

Fabvier (Charles Nicolas, baron), een Fransch generaal, heeft zich vooral bekend gemaakt als een vriend der Grieken. Hij werd geboren te Pont-á-Mousson in Lotharingen, bezocht de polytechnische school te Parijs, en trad in 1804 in dienst bij een artillerie-regement, dat in Duitschland oorlog voerde. Met andere officieren werd hij in 1807 naar Turkije gezonden, om Constantinopel tegen de aanvallen der Engelschen te versterken, en in datzelfde jaar vergezelde hij generaal Gardane naar Perzië, waar hij te Ispahan onder bezwarende omstandigheden een artillerie-park oprigtte. Op zijne terugreis door Rusland nam hij dienst in het Poolsche leger, doch na den intogt van Napoleon in Weenen zag hij zich als kapitein bij de Keizerlijke garde geplaatst.

In 1811 ging hij als adjudant van den hertog van Ragusa naar Spanje, en deze zond hem na den slag van Salamanea met depêches aan Napoleon naar Rusland. Hier streed hij aan de Moskwa, ontving er zware wonden en werd op het slagveld door den Keizer tot escadronschef benoemd. Gedurende den veldtogt in Saksen (1813) werd hij kolonel bij den generalen staf en baron, en na den volkerenslag bij Leipzig chef van den staf bij de verzamelde overblijfselen der 11 armeecorpsen. Met kolonel Denis onderteekende hij in 1814 de capitulatie van Parijs. Gedurende de Honderd dagen koos hij de zijde van Napoleon, weshalve hij na de tweede restauratie zijn ontslag ontving. In 1817 werd hij weder als chef van den staf onder den hertog van Ragusa naar Lyon gezonden, om er de bewegingen der ultra-royalisten te beteugelen, en toen men hem hierover hard viel, gat hij zijne brochure „Lyon en 1817 (1818)” in het licht. Canuel beschuldigde hem van beleedigende uitdrukkingen, zoodat hij veroordeeld werd en weder zijn ontslag ontving. Na de oproerigheden te Parijs in Augustus 1820 werd hij bij het hof der Pairs aangeklaagd wegens hoogverraad, doch vrijgesproken, en in 1822 betigt van het feit, dat hij 4 onderofficieren had bijgestaan, om uit de gevangenis te ontsnappen, — 't geen men echter niet bewijzen kon.

Daarna verliet hij Frankrijk, deed eene reis door Spanje, en bood den Grieken zijne diensten aan. In Griekenland maakte hij zich zeer verdienstelijk door geregelde troepen te vormen en eene behoorlijke krijgstucht in te voeren bij het leger. Daar het wantrouwen en de naijver der Grieksche bevelhebbers zijne pogingen met ondank beloonden, nam hij in 1828 zijn ontslag. In den herfst van dat jaar vergezelde hij wel is waar de Fransche expeditie naar Morea, maar keerde eerlang naar Frankrijk terug, waar hij als kolonel bij het leger geplaatst werd. Hij nam met geestdrift deel aan de Julij-revolutie van 1830 en zag zich benoemd tot chef van den generalen staf der nationale garde te Parijs.

Intusschen was hij weinig tevreden met den loop der zaken en nam in 1831 zijn ontslag, waarna hij zich met den rang van veldmaarschalk naar zijne geboorteplaats begaf. Na de omwenteling van 1848 werd hij door het Voorloopig Bewind als ambassadeur naar Constantinopel gezonden, doch in 1849 door het departement Meurthe afgevaardigd naar het Wetgevend Ligchaam, alwaar hij zich aan de zijde der Conservatieven schaarde. In hetzelfde jaar echter trad hij in Deensche dienst en belastte zich met het opperbevel in den oorlog tegen SleeswijkHolstein. Hij ondersteunde wel is waar de Napoleontische partij, doch met den staatsstreek van 1851 eindigde zijne staatkundige loopbaan, en hij overleed te Parijs den 15den September 1855. Hij schreef onder anderen een „Journal des opérations du 6me corps pendant la campagne de 1814 en France (1819).”

Laatst bijgewerkt 07-08-2018