Daatselaar betekenis & definitie

Daatselaar (Abraham), koopman in garen en lint te Gorinchem, en gehuwd met eene zuster van den Leidschen hoogleeraar Erpenius, een boezemvriend van Hugo de Groot, ontving ten zijnen huize uit Loevestein de kist, waarin laatstgenoemde verborgen was, en bevorderde zijne vlugt. Toen hij in 1627 zijne woning verfraaide, versierde hij ze met een raam, waarop de bevrijding van den uitstekenden geleerde werd afgebeeld, hetwelk later naar het burgerweeshuis te Gorinchem is overgebragt. Zie voorts onder Groot (Hugo de).

Laatst bijgewerkt 06-08-2018