weer betekenis & definitie

weer - Zelfstandignaamwoord
1. (n) (meteorologie) de atmosferische omstandigheden
2. (m) (dierkunde) een gesneden ram of geitenbok
3. (m) bezig zijn (zich te weren): in de weer zijn
4. (n) aantasting, mede door invloed van licht en vochtigheid
Doordat de tent nat werd opgerold bleek er enige dagen later het weer in te zitten
5. (plek met) eelt
6. landerijen -> (weersloot)

weer - Bijwoord
1. nog een keer, weder, opnieuw
2. van de andere kant
3. tegen (in samenstellingen: -> weerspraak, weerstrijd)

weer - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weren
♢ Ik weer
2. gebiedende wijs van weren
weer!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weren
weer je?

Uitdrukkingen en gezegden
♦ Mooi weer spelen
zich mooier voordoen dan men is
♦ Vroeg in de weer zijn
vroeg aan het werk zijn
♦ het is weer raak

weer terecht zijn

♦ Het ene oor in, het andere weer uit.
iets (een raad e.d.) wel horen maar het vervolgens meteen weer vergeten; gezegd van hardleerse personen aan wie hetzelfde steeds weer opnieuw moet worden verteld

Synoniemen
weder

Antoniemen
onweer

Verwante begrippen
zicht, alweer, nogmaals, wederom, opnieuw, van voren af aan, weder