vork betekenis & definitie

vork - Zelfstandignaamwoord
1. aftakking van een boomtak of van een weg
2. (gereedschap) (huishouden) voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
Hij at zijn frietjes met een vork.
3. (gereedschap) bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
4. (werktuigbouwkunde) fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt

Synoniemen
[2] vreetijzer prakijzer

Verwante begrippen
[2] lepel, mes