Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 01-11-2017

2017-11-01

troema

betekenis & definitie

troema - Zelfstandignaamwoord
1. (Jiddisch-Hebreeuws) bijdrage, gift
2. (Jiddisch-Hebreeuws) heffing op landbouwproducten voor de priesters

Woordherkomst
Herkomst: Hebreeuws