Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 01-11-2017

2017-11-01

thuishulp

betekenis & definitie

thuishulp - Zelfstandignaamwoord
1. de zorg voor hulpbehoevenden op het gebied van dagelijkse verzorging en/ of huishoudelijk werk
De thuishulp is goed geregeld in Nederland maar kan natuurlijk altijd beter.
2. iemand die hulpbehoevenden helpt op het gebied van dagelijkse verzorging en/of huishoudelijk werk
De thuishulp was heel vriendelijk voor de oude dame.
„De chauffeur heeft mij tot in het gebouw gebracht. Ik had in de auto ook leuke gesprekken met hem, over zijn vrouw en over andere dagelijkse dingen. Bij het koor zingt ook mijn dochter Mirjam. Ik had die ochtend geen sokken aangekregen, ik had de thuishulp afgebeld. Mirjam heeft dus bij het koor mijn sokken aangetrokken. Je moet inventief en geduldig zijn op deze leeftijd.”

Woordherkomst
samenstelling van thuis en hulp

Synoniemen
[1] thuiszorg
[2] au pair