vogelnamen

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen

Gepubliceerd op 16-11-2020

Ooievaar

betekenis & definitie

Ciconia ciconia (Linnaeus: Ardea) 1758. Deze karakteristieke vogel (groot en wit) was/is goed bekend bij het volk, al was hij bijna uit het nederlandse landschap verdwenen.

Als brenger vanuit de hemel van nieuwe groeikracht na een lange winter was hij bij de oude Germanen de heilige vogel van de god Donar. Ook bij de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen stond de vogel in hoog aanzien [ G&G].

De soort werd gezien als de brenger van voorspoed en geluk; zo werd hij ook het symbool van nieuw mensenleven, d.w.z. aan kinderen werd verteld dat de Ooievaar de baby's bracht. I.t.t. in het E (in Engeland ontbreekt hij als broedvogel, en is hij op de trek zeldzaam), zijn er in het N en het D vele volksnamen, die echter (op de naam Stork en verwante namen na) mogelijk (zie slotalinea) op één noemer terug te brengen zijn. Daarbij zijn te onderscheiden:

1. een 'nederlands-saksische' groep, waarin het tweede element van de naam begint met een v (Ooie-vaar), en
2. een '(neder)duits-friese' groep, waarin het tweede element begint met een b (Ade-bar).
1. Tot de eerste groep behoren N Ooievaar <Oyevaer [VK] <mnl Odevare [jvM c.1266], Odevader, Oudevare; saksisch Uiver ←, Euver ←, Heiluiver ←, Heilöver, Eileuver ←, Eillever, Ellever en fries (lokaal) Oaijefaer.
2 Tot de tweede groep behoren fries Earrebarre ←, en lokaal fries Hearrebarre, Eabarre, Arrebarre, Adebar en Eiber, Eibert ←, oostfries Adebar, Abar, Had(e)bar, noordfries Arebari, helgolandfries Wyt-Arebar en andere variaties [Suolahti 1909; De Vries 1928], gronings Aaiber, Aibert ←, oostfries/nederduits Adebar <mnd Adebar, Edebar, Edebere; ohd Odobero, Odoboro [Suolahti]. Mnl (ook) Adeber en Aber.
1. Uitgaand van mnl Odevare zijn andere vormen klankwettig te verklaren: Vlaams Ovaar, Ovare kunnen zijn ontstaan door syncope van de d en verdwijning van de volgende lettergreep (net als kou uit koude en scha uit schade), Oievaert (1514) en Oyevaer (Kiliaan 1599) zijn ontstaan door d > > j overgang (vgl. rooie uit rode en broeyen uit broeden) en Ouwevair (1483) door d > > w overgang (vgl. ouwe uit oude). In mnl Odevader is in het tweede deel een hypercorrecte d opgetreden. Een hypercorrecte h hebben mnl Houdevare en oostfries Hadebar, mogelijk ook Heileuver ←.
2. In sommige friese namen is kennelijk door assimilatie de oorspr. d (Adebar) in r(r) (Earrebarre) veranderd.

ETYMOLOGIE Een verklaring van de namen uit de tweede groep, waarvoor ohd odobero (14e eeuw) model staat, luidt 'drager (bero) van heil, geluk, zaligheid en rijkdom' (vgl. N vruchtbaar, letterlijk 'vrucht-dragend'). Ohd öt, oudsaksisch öd, oudengels êad, oudnoords audr, gotisch aud, audazie Klankwet nr. 21. Het is ws. aanwezig in N kleinood 'klein kostbaar voorwerp'. Volgens Suolahti is het echter niet zeker dat de eerste o in odobero lang is (dat zou, wil het van germ *aud komen, wél moeten); in D (dial.) Otber (holsteins Ottebar) en mhd otbar [Suolahti] is die o nl. kort. Van deze namen is het element otter in D (dial.) Heinotter en Hannotter 'Ooievaar' afgeleid (zie ook sub Heileuver).

Krogmann 1936 [NEW] meent dat de v, die in de namen uit de eerste groep voorkomt, niet uit het ww. beran 'dragen', dat aan de namen uit de tweede groep ten grondslag ligt, kan worden verklaard. Om dan tóch een verklaring voor de namen uit de eerste groep aan te dragen, gaat Krogmann uit van -faran ('gaan, lopen'; ook 'varen' en 'rijden') als tweede element en het eerste element van de namen wordt geïnterpreteerd als (/gereconstrueerd tot) germ *ud'moerassige plaats'. De betekenis van het geheel (*uda-faran) is dan 'moerasganger', naar de gewoonte van Ooievaars om zich in waterrijke streken op te houden. De namen met de interpretatie van 'heilbrenger' voor de tweede groep zouden dan pas secundair (maar al wel in een vroeg stadium), door volksetymologische invloed, zijn ontstaan. Mogelijk heeft Krogmann *udaangenomen om in de vogelnaam de letter d te verklaren. Deze correspondeert echter met germ t, zodat de d uit volksetymologie moet zijn voortgekomen; het volk begreep immers het woord od'heil'. {Om die reden had Krogmann misschien ook wel kunnen uitgaan van germ *agwjo (>N ooi 'uiterwaard, plaats aan het water', zoals in menig aardrijkskundige naam (Ooijpolder, Wadenoijen, Acquoy etc.)).} Maar 'moerasganger' is, hoewel goed gemotiveerd, toch tegelijk minder overtuigend omdat alle andere vogels van het formaat Ooievaar ook vochtige plaatsen bezoeken om te foerageren. Daarbij zien en horen (dus 'beleven') de mensen de Ooievaar integendeel het vaakst wanneer hij nestelt en dat is juist niét direct in het "moeras", maar in de onmiddellijke nabijheid van de huizen en boerderijen (ook op kerken).

FWH lost 'het probleem van de v in de tweede lettergreep' op, door odo'geluk, goed, bezit, rijkdom, zegen' te combineren met *faran 'varen, gaan' en het geheel te omschrijven als 'hij die met geluk komt'. Voor de meest oorspr. naam van de vogel is het ook nog mogelijk om uit te gaan van een constructie waarin lb voorkomt: deze lettercombinatie zou nl. beter verklaren (dan W de Vries 1919 [NEW]) waarom in de eerste groep Ooievaarsnamen de v voorkomt en in de tweede de b: in het N immers volgt op l en r altijd de v waar het in het D een b is (N Alver = D Albe, N Aalscholver ← = D Scharbe, N plaatsnaam Elft (NH) (<Alvitlo) tegenover D riviernaam Elbe etc.). Tevens voorziet deze combinatie in een uitstekend benoemingsmotief (uitgaand van idg *albh>germ *alb'wit', vgl. Lat albus 'wit'; vgl. zuidafrikaans Witooievaar) en verklaart beter waarom in een aanzienlijk aantal variaties op de naam de letter l voorkomt. Een naam met een vorm die de oorspr. mogelijk het dichtst benadert is D (/silezisch) Elbiger [Suolahti 1909 p.370]. Daarnaast hebben een (anders onverklaarde) l: brabants Ollievaor, Olievaar en Olievader [WBD] (Olievaar ook in Brugge (WVl) [WVD]), oberhessisch Ulwer en alle vormen 'rond' Eileuver ← en Heileuver ←, die weliswaar tot nu toe werden verklaard vanuit een voorgevoegd heil-, maar waarbij enige volksetymologie al of niet ingecalculeerd werd. De l had vervolgens de neiging te verdwijnen, wat aangetoond kan worden met Uiver (<Eileuver) en nederduits Ebeher (Turner 1544), Ebeer, Ebiger (<Elbiger) [Suolahti], werd mogelijk ook gevocaliseerd (op de manier van N oud uit ald, old) tot Ovaar of Ouwevaar.

De vormen ohd odobero, odoboro etc. worden (na Krogmann 1936) verklaard als volksetymologische aanpassingen ("schatdrager"); uitgaan van een hypothetische vorm met *albhbehoeft daar in principe niets aan te veranderen.

Overigens is het ook nog lang geen uitgemaakte zaak dat alle varianten van slechts één grondvorm stammen. Als de volksetymologie zo'n grote rol speelt, en vooral als dat zo lang geleden was, is het ook bijna niet meer na te gaan van welke oorspr. vorm de volksetymologie zich meester maakte. Zie ook Geluksvogel, Klepelaar, Readskonk en Stoffel.