Imposter syndroom betekenis & definitie

Het imposter syndroom beschrijft het verschijnsel waarbij mensen de lat voor zichzelf ontzettend hoog leggen en hun eigen prestaties constant onderschatten. Met name hoogopgeleide mensen hebben last van dit syndroom. Er is altijd een stemmetje in je hoofd aanwezig: ''Wanneer ontdekt iedereen dat ik eigenlijk helemaal niets kan?''

Het imposter syndroom kent geen officiële diagnose maar is eigenlijk een verzameling van persoonlijkheidstrekken. Hoe hoger mensen opgeleid zijn, hoe sterker de imposter-gevoelens optreden. Intelligente mensen die van nature een laag zelfvertrouwen hebben, perfectionistisch zijn en vaak aan zichzelf twijfelen, lopen een hoger risico. Ook opvoeding blijkt een grote rol te spelen.

Hoe goed mensen die last hebben van het imposter syndroom ook presteren, hoeveel diploma's of complimenten ze ook ontvangen, ze zijn voortdurend bang om ontmaskerd te worden omdat ze hardnekkig twijfelen aan hun eigen kwaliteiten. Ze hebben vaak het gevoel dat ze de boel bedriegen en helemaal niet zo slim of goed zijn.

Het syndroom speelt met name op zodra mensen moeten presteren. Ze worden bang en beginnen aan zichzelf te twijfelen. Vaak vormt uitzinnige voorbereiding een van de manieren om met de angst om te gaan. Vaak werkt deze methode: men wordt geprezen en anderen zijn tevreden over het werk. Maar juist dan gaat het vaak mis. Imposters zijn slechts tijdelijk opgelucht als iets gelukt is. Daarna bevestigt ieder nieuw succes hun eigen gedachte dat ze een bedrieger zijn. Het blijkt dat dit met name komt omdat imposters het succes zich niet toe-eigenen. Succes heeft weinig met eigen competenties te maken maar is vooral een kwestie van toeval, geluk en externe omstandigheden. Men schat de eigen prestaties niet op waarde en denkt dat iedereen kan wat zij doen. Imposters compenseren dit met extreem hard werken, wat leidt tot stressgerelateerde klachten en zelfs burn-out. Anderen tonen vluchtgedrag.