slijmbal betekenis & definitie

zeurderig of kruiperig persoon; mooiprater. Vgl. het Amerikaans-Engelse ‘slimebag’ of ‘slimeball’ dat pas in de jaren zeventig werd teruggevonden, veel later dan ons scheldwoord en daarom misschien beïnvloed door het Nederlands. Zie ook slijmjurk.

Twintig gulde most die slijmbal hebbe om z’n eigen in de veiling te late neme door een stelletje hufters. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)

Lazer toch gauw op, afgeschuurde slijmbal. (Rinus Ferdinandusse, Zij droeg die nacht een paars corset, 1967)

Hé, toe nou, joh, doe niet zo flauw, slijmbal. (Hans Plomp, Brigadier Snuf rookt stuff, 1972)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017