schansloper betekenis & definitie

(verouderd) leegloper, nietsnut, doodeter. Wellicht oorspronkelijk van toepassing op een oud paard dat men op de wal liet lopen. Dit in onbruik geraakte woord betekende vroeger ook ‘een lange jas die tegen weer en wind bestand was’, in het bijzonder een zeemans- of schippersjas (ook wel een ‘baaivanger’ genoemd). In die laatste betekenis komt het al voor bij Betje Wolff en Aagje Deken. Vgl. ook nog Hoogduits Schanzloper.

Gij, afgedankte korporaal! Gij afgedankte kanonruiter! Vlieg! zeg ik u, gij moest reeds lang weg zijn, schanslooper! (A. Gijsberti Hodenpijl, Willem van Bergen, Student aan de Leydsche Hoogeschool, 1842)

Voor de wit-houten schutting aan de Paulus Potterstraat, die de tentoonstellingswonderen nu niet meer geheel verbergt voor nieuwsgierige blikken, want zelf komen ze er overheen kijken, staat den ganschen dag een troepje werkloozen, het fin-de-siècle verschijnsel, dat de schansloopers en baliekluivers vervangende, wel wil maar niet kan werken. (De Groene Amsterdammer, 17/03/1895)