Rau-dau, rouwdouw, rouwdouwer, rouwdanus betekenis & definitie

ruwe vent; bruut; mannetjesputter. Ook als bijvoeglijk naamwoord: die vent doet alles even rau-dau. Volgens Van Dale na 1950 opgekomen en een verbastering van het Engelse row-de-dow (lawaai, herrie). Endt (1974), die een vroege vindplaats uit de Fabeltjeskrant vermeldt (jaren zestig), denkt aan een verband met het Duitse Raudau (commotie, stennis). Van rouwdouw werd ook een werkwoord gevormd: rouwdouwen (op ruwe, ongeïnteresseerde wijze te werk gaan). Hiervan is weer de persoonsnaam met het achtervoegsel -er afgeleid: rouwdouwer. Deze laatste vorm is tegenwoordig de meest gebruikelijke. Minder gebruikelijk is de verbasterde vorm rouwdanus. De (foutieve) schrijfwijze met -au- is wellicht te wijten aan de connotatie met het Nederlandse woord rauw (ruw) i.p.v. met rouw (droefheid, smart).

Een boerenlul uit de provincie, maar wel ’n rouwdouw... (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)

De geweldige overwinning die de Sowjet- ijshockeyploeg behaalde op het ploegje rauwdauwers dat de Verenigde Staten naar Grenoble gestuurd hebben. (De Groene Amsterdammer, 02/03/1968)

Een van die twee rasechte Leienaars was een echte rouwdouw, maar met het hart op de juiste plaats. (Leidsch Dagblad, 03/05/2002)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017