indo betekenis & definitie

in het koloniaal verleden werd dit beschouwd als een ietwat aanstotelijke en te vermijden afkorting van Indo-Europeaan, waarvoor men het woord ‘Indiër’ heeft ingevoerd. In Indische kringen zei men in het midden van de twintigste eeuw wel eens grappenderwijs dat indo een acroniem was van ‘In Nederland Door Omstandigheden’. Eigenlijk is een indo iemand van gemengd Europees en Aziatisch (maar ook Afrikaans) bloed. Een verdwaalde indo noemde men een indo kesasar. Thans allang geen scheldwoord meer. Jonge Indische Nederlanders gebruiken de term de laatste tijd zelfs meer en meer als geuzennaam, als uiting van trots over hun Indische identiteit. Indo werd al opgetekend in 1898.

Bij de behandeling der Europeesche praktijk werd deze weer onderverdeeld in die bij de rasechte Hollanders, de vreemdelingen en de Indo’s, en elk dezer groepen nader besproken. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 29/04/1918) Maar bovendien - en dit is de tweede oorzaak - de inlander ziet in den Indo slechts den bastaard; de Indo is voor hem ‘anak soendal’, (hoerekind), het voor den Indo meest grievende, want zijn moeder beleedigend, scheldwoord. (De Groene Amsterdammer, 07/01/1922)

We praatten over de meest uiteenlopende onderwerpen, zonder omwegen, vaak snel en hard als een rechtse directe bij het boksen. Over God en geloof, over mensen, over opvoedkunde, over verschil en overeenkomst tussen Blanda’s en Indo’s, over onszelf en over onze opvattingen van zedelijkheid. (Vincent Mahieu, Tjies, 1958)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017