gammer, gammor, gammerkop betekenis & definitie

(in Joodse kringen) domoor; sufferd; botterik. Van het Hebreeuwse hamar (ezel). In toneelkringen ook gebruikt voor een toejuiching van iets dat artiesten lelijk vinden (zie hiervoor De Beer & Laurillard). Een gammerte is een domme vrouw.

Slechts in ’t midden latend of hij een ‘gammer’ was dan wel een ‘verschwartste nar’... (Van Bruggen, Joodje, 1914)

Zoo’n sjahaggelesponem bin ikke nie... zoo’n gamoorbin ikke nie! (Israël Querido, Het volk Gods, 1932)

Dat’s godzammevernaggele waar ook! Daar hebbe we in onze verslagenheid geen van alle bij stil gestaan. Gammerkoppe die we benne! (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)