botterik betekenis & definitie

onbeschaafd, lomp persoon. In de jeugdtaal van eind vorige eeuw ook wel: botto.

Mijnheer Swart dacht aan de leelijke recensie, die hem in elk geval op dit oogenblik geen goed deed. Hij gromde zelfs zoo iets tusschen de tanden als van ‘ezels’ en ‘botteriken’; en dan moest het wel erg zijn als hij dat deed, ook maar in zijn eigen. (François Haverschmidt, Familie en kennissen, 18,1876) Laat hem toch passeren, gij botterik! (Roobjee, Vincent en Astrid van Gogh verdwijnen in een korenveld, 1977)