flikker betekenis & definitie

homoseksueel. Bij Boekenoogen komt flikker nog voor in de betekenis van ‘gemene kerel’, bij Henke en Moormann wordt het woord omschreven als ‘vuilik, sodemieter’ en als scheldnaam zonder bepaalde betekenis. Over de herkomst werden meerdere suggesties gedaan. Volgens sommigen zou flikker afgeleid zijn van het Zweedse woord voor meisje, üicka. Zeelui zouden het naar Nederland geïmporteerd hebben. Endt (1974) denkt eerder aan de rechtruggige, gebruikte chocoladeflikken - achter elkaar in een doosje - van de negentiende-eeuwse fabrikant Caspar Flick. Verder is een verband met de Bargoense term flik voor speelkaarten niet uit te sluiten. Volgens het WNT zou flikker een verkorting kunnen zijn van sodeflikker. Het woord kan natuurlijk ook gewoon afgeleid zijn van het werkwoord flikken, dat zowel ‘iets handig klaarspelen’ als ‘een lelijke streek leveren’ en ‘vrijen’ kan betekenen. Het bijvoeglijk naamwoord flikkers betekent ‘verdomd, ergerlijk, vervelend’. Het werkwoord flikkeren heeft een hele reeks betekenissen: ‘onrustig vlammen, smijten, zaniken, van belang zijn (er een flikker toe doen), homoseksueel verkeer hebben’. Tegenwoordig is het woord meer een geuzennaam dan een scheldwoord. Homofielen verkiezen het woord flikker boven homofiel omdat het eerste strijdbaarder klinkt. In de jeugdtaal van de jaren tachtig wordt het ook gebruikt voor een vervelende kerel (zie Laps). Samenstellingen met flikker zijn ondertussen legio: flikkerband, flikkerfront, flikkerkrant, flikkerradio, flikkertheater enz.

‘De flikkers!’ schold giftig de kleine groentekoopman. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)

Natuurlijk ben ik niet homoseksueel. Maar ik ben er wel eens voor gehouden. Eén- of tweemaal hebben ze me hier in de stad voor flikker uitgescholden... (Simon Vestdijk, Op afbetaling, 1952)

En dan jij maar zeuren over flikkers die De Lach lezen, omdat James Dean er in staat. (Remco Campert, Een ellendige nietsnut, 1960)

Gepubliceerd op 16-05-2017