Wat is de betekenis van flikker?

2020
2021-06-21
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

flikker

1) (19e eeuw) (plat) lichaam; lijf. 'Iemand op zijn flikker slaan (komen, geven)': iemand afranselen. 'In zijn blote flikker': naakt. • Flikker (op je) geven, een pak slaag geven. (Onze Volkstaal. Deel 3. 1885. Zaansche Woorden) • Snijd hun 't hart uit hun flikker! (Simon Vestdijk: Meneer Visser'...

Lees verder
2019
2021-06-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

flikker

flikker - Zelfstandignaamwoord 1. (scheldwoord) een persoon die iets aan het flikken is Wat een flikker ben je toch ook! 2. (informeel) een lichaam Je hebt hem toch wel op z'n flikker gegeven, hè? 3. (informeel) niets ...

Lees verder
2018
2021-06-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

flikker

flikker - zelfstandig naamwoord uitspraak: flik-ker 1. mannelijke homoseksueel ♢ dat is een kroeg waar veel flikkers komen 2. geheel van botten, organen, spieren waaruit een mens bestaat ♢ we zu...

Lees verder
2007
2021-06-21
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

flikker

homoseksueel. Bij Boekenoogen komt flikker nog voor in de betekenis van ‘gemene kerel’, bij Henke en Moormann wordt het woord omschreven als ‘vuilik, sodemieter’ en als scheldnaam zonder bepaalde betekenis. Over de herkomst werden meerdere suggesties gedaan. Volgens sommigen zou flikker afgeleid zijn van het Zweedse woord vo...

Lees verder
1998
2021-06-21
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Flikker

1. -sop een houtje,destijds in Ned-Indië een schertsende aanduiding voor ‘saté’. Flikker hier wellicht in de zin van ‘homoseksueel’. Als scheldwoord voor een ‘vuilik of sodemieter’ komt flikkeral voor bij Koster Henke. 2. geengeen zier. Het WNT citeert Heijermans: Diamantstad,1904. Informeel. ... als je zoals ik een jaar vol ellende en rotzooi heb...

Lees verder
1997
2021-06-21
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

flikker

Loop naar de flikker! is een verwensing waarin flikker een eufemistisch substituut is voor duivel. De verwensing heb ik aangetroffen bij A.M. de Jong in diens Merijntje Gijzens jeugd en jonge jaren. Ook voor Van Dale is het geen onbekende. De emotionele betekenis duidt op minachting, haat e.d. en kan weergegeven worden m...

Lees verder
1977
2021-06-21
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

flikker

flikker - homosexueel. ENDT suggereert o.a. als oorsprong ‘de rechtruggige, gebuikte chocoladeflikken achter elkaar in een rond doosje geplaatst (19de eeuwse fabrikant: Caspar Flick)’; het lijkt echter waarschijnlijker dat we uit moeten gaan van een verb. iem. op zijn flikker slaan, waarnaast immers ook iem. op z’n sodemieter slaa...

Lees verder
1973
2021-06-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

flikker

m. (-s), 1. lapper, iemand die iets herstelt, repareert; 2. gemene vent; iemand die niet te vertrouwen is; 3. (plat) homoseksuele man; 4. iemand op zijn — geven, komen, op zijn lichaam komen, hem afranselen; 5. lor, zier: hij weet er geen — van; 6. danssprong, luchtsprong waarbij men de kuiten tegen elkaar slaat: een — slaan.

Lees verder
1950
2021-06-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Flikker

m. en gemeensl. (-s), 1. lapper, iem. die iets herstelt, repareert; 2. (gemeenz.) gemene vent, die niet te vertrouwen is; 3. iem. op zijn flikker geven, komen, op zijn lichaam komen, hem afranselen; 4. lor, zier: hij weet er geen flikker van; 5. danssprong, luchtsprong waarbij men de kuiten tegen elkander slaat: een flikker sla...

Lees verder
1949
2021-06-21
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

flikker

vuilik; sodomieter; veel als scheldnaam gebezigd zonder bepaalde betekenis. Het bennen flikkers hoor die russen, ze lopen altijd vlak achter je kont.

1925
2021-06-21
Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Flikker

Een scheldwoord, zonder bepaalde beteekenis. Waarschijnlijk de stam van het ww. flikkeren, weerlichten; dan is te vergelijken bliksem, dat op dezelfde wijze gebruikt wordt, als ook donder. Het is echter niet onmogelijk dat andere beteekenissen van hetww. flikken, vleien, invloed hebben gehad; vgl. gron. flikkert,...

Lees verder
1898
2021-06-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Flikker

FLIKKER, m. (-s), lapper, iem. die iets herstelt, repareert; — (gemeenz.) gemeene vent die niet te vertrouwen is; — iem. op zijn flikker geven, komen, op zijn lichaam komen, hem afranselen; — (dansk.) kunstmatige sprong waarbij men de kuiten tegen elkander slaat: een flikker slaan, een dansje doen; — (Z. A.) zijne flikker...

Lees verder