Chinees van Europa, van het Noorden betekenis & definitie

weinig vleiende benaming voor de Nederlander, een cliché dat al uit de achttiende eeuw stamt. In reisverslagen uit die periode wordt Nederland wel eens vergeleken met China: scheve poppenhuisjes, veel kanalen en het vervoer over die kanalen met trekschuiten. In de achttiende eeuw had het land ook zijn grootste economische bloei en politieke macht achter zich gelaten. Op cultureel of wetenschappelijk gebied had het ook al weinig te betekenen. Dit beeld deed veel buitenlanders aan China (een vergane grootheid) denken. Volgens het WNT wordt de Nederlander dan ook zo genoemd omwille van de vasthoudendheid aan het oude en verouderde. Eigenaardig is wel dat in de Verenigde Staten en Australië the Chinese of Europe een heel andere betekenis had. Daar was het eind negentiende, begin twintigste eeuw een schimpnaam voor Italianen.

Een vurig zwart ros - voor eene ar gespannen, welke wij hopen, dat weldra door den eigenaar zal worden verbrand, opdat zij niet den laster voedsel geve, dat wij de Chinezen van Europa zijn, in lust voor het baroque, het gedrogtelijke, het misgeboortige. (E.J. Potgieter, De werken van Potgieter, 1841)

Wij Hollanders behooren op te houden met kortzichtig, eng van opvatting, preutsch te zijn. Wij worden dan ook genoemd de Chinezen van Europa, niet alleen om onze enge begrippen en gehechtheid aan het oude, maar ook onze sjaggelgeest, kruidenierspolitiek, onze lichtschuwendheid. (De Groene Amsterdammer, 09/09/1906)

Want de Hollander zou geen ‘Chinees van het Noorden’ genoemd worden als hij de oprukkende internationale vreethonger niet zou stillen en uitbuiten. (Jan Cremer, Logboek, 1978)