Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 31-01-2022

Schoon

betekenis & definitie

I. bn. en bw. (schoner, -st),

1. wat het gezicht aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; fraai, mooi; van mooi wordt het wel onderscheiden als een hogere, zuiver esthetische kwaliteit: een schoon landschap; (zelfst.) het schone; de leer van het schone, de esthetica; het schone geslacht, de vrouwen; met betrekking tot het gehoor: schoon klinken; van onstoff. zaken: een schoon gedicht; de schone kunsten, die mooie dingen voortbrengen;
2. wat het zedelijk gevoel treft, verheven, loffelijk: schone daden; (ironisch) een schone manier van doen;
3. gunstig, gunstige verwachtingen veroorlovend: de kans schoon zien;
4. een gunstige voorstelling gevend; schone woorden, die goed klinken, maar waarop men geen staat kan maken;
5. vrij van belemmeringen: de baan is schoon, vrij van onkosten, onbezwaard, netto: schoon in het handje; schoon cognossement, waarop de rederij geen aanmerkingen gesteld heeft betreffende onvoldoende verpakking e.d.;
6. rein, vrij van vuil, hetzij in de zin van gereinigd of van onbesmet: schoon goed aantrekken; de borden schoon wegzetten; een schoon gezicht en schone handen hebben; zich schoon praten, zich door praten trachten te verontschuldigen;
7. nog niet gebruikt: neem een schoon bord, glas; een schone lei, onbeschreven;
8. vrij van onzuiverheid, van iets dat er niet in, bij of aan behoort: schoon water, zuiver, helder, zoet water; (van slachtdieren) van de ingewanden enz. ontdaan: schoon aan de haak; ook in de zin van: zonder kleren, naakt (gewogen); (bouwkunst) schoon uit de kist, gezegd van betonwerk dat met glad oppervlak uit de bekisting komt; schone bom, atoom-of waterstofbom die weinig radioactieve stof verspreidt; een schone motor, die weinig of geen vervuiling van de lucht veroorzaakt; schone proef, drukproef gezuiverd van zetfouten;
9. schoon metselwerk, zuiver in verband gewerkt en gevoegd, zoals gebruikelijk bij werk dat in het gezicht komt;
10. (bw.) zo dat er niets meer overblijft, geheel en al; alles is schoon op(gegeten); volstrekt: je hebt schoon gelijk;

II. zn. o., wat schoon aan iets is, datgene wat een persoon of zaak schoon doet zijn, schoonheid: het schoon van de natuur; natuurschoon.