Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-08-2021

Dagelijks

betekenis & definitie

I. bw., alle dagen; op, met iedere dag: ik spreek hem dagelijks; terugkerende dingen; het wordt nog erger, van dag tot dag, voortdurend;

II. bn., van, voor iedere dag, iedere dag terugkomend: de dagelijkse omwenteling van de aarde om haar as; zijn dagelijkse bezigheden; dat is werk voor hem, dat doet hij alle dag, daar is hij mee vertrouwd; geef ons heden ons brood, wat wij elke dag nodig hebben; ik heb mijn (het) dagelijks brood, een matig, maar voldoend bestaan; (met verzwakte betekenis) gewoon, geregeld: de dagelijkse zorgen; in het leven, zoals men het geregeld kan waarnemen; de taal van het leven, de gewone, niet-verheven of poëtische taal; bestuur, dat deel van een besturend lichaam dat met de leiding van de gewone, dagelijkse aangelegenheden belast is, b.v. burgemeester en wethouders van een gemeente; opzichter, de opzichter die voortdurend toezicht houdt op het werk; dagelijkse zonde, kleine zonde, zoals er dagelijks begaan worden.