Wat is de betekenis van dagelijks?

2019
2022-12-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

dagelijks

dagelijks - Bijvoeglijk naamwoord 1. iedere dag voorkomend of benodigd     ♢ Hoe moeten we anders ons dagelijks brood verdienen? 2. gewoon, alledaags dagelijks - Bijwoord 1. iedere dag     ♢ Hij leest dagelijks de krant. 2. als het dag is, bij dag  ...

Lees verder
2018
2022-12-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

dagelijks

dagelijks - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: da-ge-lijks 1. elke dag ♢ ik zie hem dagelijks 1. ik kan voorzien in mijn dagelijkse behoeften [genoeg geld verdienen om van te leven] ...

Lees verder
1973
2022-12-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Dagelijks

I. bw., alle dagen; op, met iedere dag: ik spreek hem dagelijks; terugkerende dingen; het wordt nog erger, van dag tot dag, voortdurend; II. bn., van, voor iedere dag, iedere dag terugkomend: de dagelijkse omwenteling van de aarde om haar as; zijn dagelijkse bezigheden; dat is werk voor hem, dat doet hij alle dag, daar is hij mee vertrouwd; geef on...

Lees verder
1952
2022-12-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Dagelijks

adj., daegliks, deisk, deistich; adv., daegliks, deis, troch 'en dei, by de dei lâns, dei en wei.

1950
2022-12-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Dagelijks

I. bw., alle dag, op, met iedere dag: ik spreek hem dagelijks; dagelijks terugkerende dingen; 't wordt nog dagelijks erger, van dag tot dag, voortdurend. II. bn., van, voor iedere dag, iedere dag terugkomend: de dagelijkse omwenteling der aarde om haar as; zijn dagelijkse bezigheden; — dat is dagelijks werk voor hem, ...

Lees verder
1937
2022-12-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

dagelijks

1 bn. (1 iedere dag voorkomend; iedere dag nodig; van elke dag; 2 gelijk geregeld waargenomen wordt): 1 het - brood; een - beursoverzicht; -e bezigheden; 2 het-e leven; nog: R.-K. -e zonde, overtreding van Gods geboden in kleine zaken; z. doodzonde; het - bestuur (der gemeente), Burgemeester en Wethouders (in België: Burgemeester en Schepenen...

Lees verder
1930
2022-12-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

dagelijks

(‘da:gələks) I. bn. 1. van elke dag : -e bezigheden; het brood. Syn .→ alledaags. 2. gelijk geregeld waargenomen wordt: een voorval; in het leven. II. bw. 1. iedere dag : werken. 2. met iedere dag : het wordt slechter.

Lees verder
1898
2022-12-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Dagelijks

DAGELIJKS, bw. alle dag, iederen dag ik spreek hem dagelijks; — yt wordt nog dagelijks erger, van dag tot dag, voortdurend.

Lees verder
1864
2022-12-04
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Dagelijks

Dagelijks, bijw. alle dag, iederen dag. *-SCH, bn. alle dag; dat is zijne -e gewoonte; de -e omwenteling der aarde om hare as; (fig.) ik heb mijn (het) - brood, een matig bestaan; het - bestuur eener gemeente, burgemeester en wethouders.

Lees verder