bom betekenis & definitie

bom - bom, v./m. (-men),

1. iets wat bijzonder dik of groot is: het is een — van een jongen; zure bommen, grote augurken in het zuur; 2. grote hoeveelheid: een — duiten; hij heeft een hele — geërfd; de — is gevallen, de hoofdprijs in de staatsloterij (de andere grote prijzen worden bommetjes genoemd);
3. projectiel met een metalen omhulsel dat gevuld is met explosieven; bus, koker of doos met dynamiet of iets dergelijks gevuld, m.n. bij aanslagen: bombrief; rijdende —, tankwagen met zeer explosieve lading; als een — uit de lucht komen vallen, plotseling, onverwacht en daarbij grote opschudding veroorzakend;
4. door een vulkaan uitgeworpen rond of regelmatig hoekig stuk lava;
5. (ook: bomschuit) breedgebouwd vissersvaartuig;
6. (pyrotechniek) uit papier vervaardigde bommen voor vuurwerk.


Geologie. De uitgeworpen (lava-)bom stolt in de lucht of aan de oppervlakte en kan tot 1 m lang zijn. Zie vulkanisme.

Militaria. Een bom wordt tot ontploffing gebracht door een buis. In het algemeen wordt zij naar haar doel gebracht door een vliegtuig. De bekendste typen bommen zijn: de brisantbom, de brandbom, de napalmbom, de tijdbom, de atoombom en de waterstofbom.

Visserij. De bom was vroeger een scheepstype dat voor de visserij en ook door de koopvaardij en marine werd gebruikt. Door hun plompe vorm, platte bodem en een breedte ongeveer gelijk aan de halve lengte, leenden zij zich ertoe om op het strand te worden getrokken. In Scheveningen bleven zij tot 1916 in gebruik en in Katwijk, door het ontbreken van een haven, tot 1940.
LITT. E.W.Petrejus, De bomschuit, een verdwenen scheepstype (1954).