Wat is de betekenis van BOM?

2023
2023-01-27
WhatsApp woordenboek

redactie Ensie

BOM

Bill of Materials

2022
2023-01-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

bom

1) (1839, vero.) borrel. 'Hij zet er een goede bom in' of 'hij heeft een bom in het lijf': hij drinkt veel. • Piet, bommetje bitter! (Klikspaan: Studententypen. 1876) • Wat al namen voor een borrel! Namen die op de kleur wijzen, een klare, een bittere, een dun gesnedene (lichtgeel), een oranje, een citroent...

Lees verder
2019
2023-01-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bom

bom - Zelfstandignaamwoord 1. een vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven Er is recentelijk weer een bom op een Pakistaanse stad gegooid. 2. (figuurlijk) primeur, sensatie De bom barstte. bom - Zelfstandignaamwoord 1. bew...

Lees verder
2019
2023-01-27
NIFV

Nederlands Instituut Fysiek Veiligheid

BOM

Brand Onderzoek Metro. Dit betreft een onderzoek, uitgevoerd door Peutz (Den Boer, 2006), naar de ontwikkeling van verschillende brandscenario’s voor bestaande representatieve ondergrondse metrostations.

2018
2023-01-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bom

bom - zelfstandig naamwoord 1. voorwerp dat kan ontploffen ♢ er is een bom in het vliegtuig gevonden 1. het nieuws sloeg in als een bom [iedereen was er verbijsterd over] 2. na...

Lees verder
2017
2023-01-27
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Bom

Bom - slang voor een dexedrinecapsule, gebruikt als doping (stimuleert het zenuwstelsel). Dergelijke preparaten zijn bijna niet meer verkrijgbaar. Ook: bommetje, bombe. Ik had dus geen 'bommen' in mijn lijf, zoals journalisten het uitdrukten omdat ze op het eerste gezicht geen redelijke verklaring voor mijn comeback vonden. - Freddy Maertens, Niet...

Lees verder
2017
2023-01-27
Ewoud Sanders

Journalist, taalhistoricus, trainer

Bom

Bom is In 1839 voor het eerst gevonden, in de verbinding een bom bitter. Het woord werd aanvankelijk vooral door studenten gebruikt en is in het begin van de 19de eeuw in die kringen opgetekend in Leiden en Utrecht. Een bom is eigenlijk een 'groot glas sterke drank'. Het is verwant met het Oost-Friese bumme 'grote blik- ken drinkkan' en het Engelse...

Lees verder
2013
2023-01-27
Peter van Minnen

Auto-ID expert: focus op goederen bewegingen, Track & Trace, voorraad & locatiebeheer

BOM

BOM is de afkorting van Bill of Material, ofwel stuklijst, en omvat een lijst van alle componenten en bewerkingen die nodig zijn om uiteindelijk een eindproduct te produceren. Het komt voor in producerende en assemblerende bedrijven. De stuklijst van een stoel bestaat uit een zitting met schroefjes, een rugleuning met schroefjes, vier poten met sch...

Lees verder
2010
2023-01-27
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

bom

bom: capsule met het stimulerende product dexedrine, werd vroeger als dopingmiddel gebruikt; doping.

2009
2023-01-27
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

bom

(de; -men; -metje) - capsule met daarin (een) dopingmiddel(en) • Eef Dolman verklaarde van een arts een zogenaamd ‘bommetje’ te hebben gehad. Dat bommetje bevatte dexedrine, een stof die tot de categorie van de amfetamines behoort. (ANNEM) • Met het ‘bommetje’ in de wielrennerij werden de ‘ouderwetse’ (vrijwel niet meer verkrijgbare) dexedrinebomm...

Lees verder
2004
2023-01-27
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

bom

Nucleaire bom of atoombom, gebruikt als een oorlogswapen. Door het weglaten van het eerste lid (de beschrijving) worden de gevaren van het tuig (massavernietiging) in feite geminimaliseerd. Het gaat immers maar om een gewone bom, zo zou je kunnen denken. In de jaren zestig deden de ‘ban-de-bommers’ van zich spreken. Soms gooien we een melkkar om, o...

Lees verder
1999
2023-01-27
Woordenboek van Neologismen

Geschreven door Marc de Coster ©

Bom

Bom - zie citaat. → bombarderen. Sommige grapjassen vinden het leuk om iemand een ‘bom’ te sturen. Dit is een bericht dat zo groot is dat het netwerk bij de ontvanger overbelast wordt. Hierdoor kunnen andere berichten gedurende geruime tijd niet meer verstuurd of ontvangen worden. Stunts zoals deze worden door Internet-gebruikers alles behalve leuk...

Lees verder
1997
2023-01-27
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

bom

Kapitein Haddock uit het stripverhaal Kuifje is berucht om zijn ballistische uitroep duizend bommen en granaten!, die uiting geeft aan woede, frustratie e.d. Overigens komt deze bastaardvloek al voor in deel iii van het wnt, een deel dat dateert van 1902. Hij is dus veel ouder dan kapitein Haddock en de geestelijke vader van Kuifje...

Lees verder
1973
2023-01-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bom

v./m. (-men), 1. iets wat bijzonder dik of groot is: het is een bom van een jongen; zure bommen, grote augurken in het zuur; 2. grote hoeveelheid: een bom duiten; hij heeft een hele bom geërfd; de bom is gevallen, de hoofdprijs in de staatsloterij (de andere grote prijzen worden bommetjes genoemd); 3. projectiel met een metalen omhulsel dat...

Lees verder
1963
2023-01-27
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

bom

1.(de, -men), gasfles, gascylinder. ( ) terwijl geen enkele woning buiten het centrum van Paramaribo leidinggas heeft maar zijn gas betrekt uit een bom die door de Overzeesche Gas en Electriciteits Maatschappij onder het keukenraam tegen het huis wordt gezet ( ) (Van Teylingen 21).-Etym.: Vermoedelijk kort voor gasbom. 2.bom (de), term bij knikkers...

Lees verder
1952
2023-01-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bom

s., bom.

1950
2023-01-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Bom

I. tw., nabootsing van de slag van een zwaar neervallend lichaam of een ander dof geluid (vgl. bombam); uitroep bij het zien, horen of vertellen van iets geweldigs of plotselings. II. (-men), 1. (w. g.) nabootsing van het klokgelui; (gew.) naam ener grote klok. 2. (veroud.) handtrommel of tamboerijn; — (gew.) soort van fuik in de vorm...

Lees verder
1947
2023-01-27
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Bom

heet in de vulkanologie een rond of hoekig stuk lava, dat gedurende een uitbarsting door een vulkaan is uitgeworpen. Slechts de stukken, die een regelmatige vorm bezitten, worden bommen genoemd; de onregelmatige heten slakken. Men onderscheidt bolvormige, unipolaire, bipolaire, spiraalvormige en broodkorstbommen. De laatste zijn hoekig en haar buit...

Lees verder
1939
2023-01-27
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Bom

Uitdrukkingsmiddel der moderne beschaving.

1937
2023-01-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

bom

I. v. bommen, bommetje (1 iets dat groot en dik is; kanjer, inz. een groot glas sterkedrank; 2 platboomde, breedgeboomde vissersschuit; 3 grote hoeveelheid; 4 vero. tamboerijn): 1. bommen van aardappels; geen half bittertje, maar een hele bom; 2. een Scheveningse bom; 3. een bom duiten; 4 met bommen en schalmeien. II. v. bommen, bommetje (schijfvo...

Lees verder