Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 21-03-2019

Betekenis

betekenis & definitie

v. (sen) .. 1. zin, begrip, inhoud van een woord of een samenstel van woorden: de betekenissen van een woord nagaan
2. datgene wat door enigerlei voorstelling wordt uitgedrukt: de betekenis van een symbool, van een teken, zie semiotiek
3. (oneig.) dat wat iets zeggen wil, strekking: de betekenis van een daad;
4. gewicht, belang: een persoon, een zaak van grote betekenis; weinig betekenis aan iets hechten.

FILOSOFIE.

Woorden kunnen betekenis hebben, doordat ze naar iets in de werkelijkheid verwijzen, of naar een voorstelling in onze geest, of doordat ze in een bepaalde relatie staan met andere woorden, of doordat ze bij bepaalde gelegenheden worden gebruikt. Dit heeft geleid tot een nog steeds niet beslechte discussie over de betekenis van ‘betekenis’ . In elk geval staat vast dat de betekenis van woorden afhangt van de betekenis van zinnen en de ze soms weer van het grotere verband waarin zij voorkomen. De consequente verwijzingstheorie van de betekenis is te handhaven, wanneer men bereid is te erkennen dat zinnen, behalve naar feitelij ke toedrachten, ook kunnen verwijzen naar mogelijke, toekomstige, gewenste, enz. toedrachten, naar feiten dus die voorkomen in een of andere gekwalificeerde wereld. Wil men dit niet, dan kan men met L.Wittgenstein de zin beschouwen als een instrument en zijn betekenis als zijn gebruik.

Een nadeel van deze visie is echter dat zinnen óók betekenis hebben, wanneer ze niet worden gebruikt.

Litt. C.K.Ogden en I.A.Richards, The meaning of meaning (1938); L.Wittgenstein, Philosophische Untersuchungen (1953); S.Ullmann, The principles of semantics (1957); H.Sperber, Einführung in die Bedeutungslehre (1965); D.D.Stemberg en L.A. Jakobovits, Semantics (1971).

TAALWETENSCHAP.

Betekenis is hetgeen een taalbouwsel, en in het bijzonder een woord zelf in het taalgebruik aan weten bij draagt. Deze definitie is afkomstig van de Ned. taalkundige A.Reichling, die aan het woord als betekeniseenheid een grote studie heeft gewijd, zie semantiek.

Litt. A.Reichling, Het woord (1935, herdr. 1967)

1. zin, begrip, inhoud van een woord of een samenstel van woorden: de betekenissen van een woord nagaan
2. datgene wat door enigerlei voorstelling wordt uitgedrukt: de betekenis van een symbool, van een teken, zie semiotiek
3. (oneig.) dat wat iets zeggen wil, strekking: de betekenis van een daad;
4. gewicht, belang: een persoon, een zaak van grote betekenis; weinig betekenis aan iets hechten.

FILOSOFIE.

Woorden kunnen betekenis hebben, doordat ze naar iets in de werkelijkheid verwijzen, of naar een voorstelling in onze geest, of doordat ze in een bepaalde relatie staan met andere woorden, of doordat ze bij bepaalde gelegenheden worden gebruikt. Dit heeft geleid tot een nog steeds niet beslechte discussie over de betekenis van ‘betekenis’ . In elk geval staat vast dat de betekenis van woorden afhangt van de betekenis van zinnen en de ze soms weer van het grotere verband waarin zij voorkomen. De consequente verwijzingstheorie van de betekenis is te handhaven, wanneer men bereid is te erkennen dat zinnen, behalve naar feitelij ke toedrachten, ook kunnen verwijzen naar mogelijke, toekomstige, gewenste, enz. toedrachten, naar feiten dus die voorkomen in een of andere gekwalificeerde wereld. Wil men dit niet, dan kan men met L.Wittgenstein de zin beschouwen als een instrument en zijn betekenis als zijn gebruik.

Een nadeel van deze visie is echter dat zinnen óók betekenis hebben, wanneer ze niet worden gebruikt.

Litt. C.K.Ogden en I.A.Richards, The meaning of meaning (1938); L.Wittgenstein, Philosophische Untersuchungen (1953); S.Ullmann, The principles of semantics (1957); H.Sperber, Einführung in die Bedeutungslehre (1965); D.D.Stemberg en L.A. Jakobovits, Semantics (1971).

TAALWETENSCHAP.

Betekenis is hetgeen een taalbouwsel, en in het bijzonder een woord zelf in het taalgebruik aan weten bij draagt. Deze definitie is afkomstig van de Ned. taalkundige A.Reichling, die aan het woord als betekeniseenheid een grote studie heeft gewijd, zie semantiek.

Litt. A.Reichling, Het woord (1935, herdr. 1967).